Gedenkteken 2 oktober 1944, Groot Schuylenburg

foto: Jelle Reitsma

Locatie
Op het terrein van 's Heerenloo Midden-Nederland (voorheen Groot Schuylenburg)

Ontwerp
marmeren gedenkteken: G. Post Greve;
plaquette mevrouw Bitter: Tirza Verrips

Onthuld
marmeren gedenkteken 2 oktober 1969;
plaquette mevrouw Bitter 3 oktober 2011

Uitvoering
Een eenvoudige, witte steen met een kruis, de acht namen en de tekst: gefusilleerd 2-10-1944.
Een glazen plaat met de foto, een tekst en de naam van mevrouw Bitter. De tekst luidt: Zij liet de piloten Ingram en Zercher onderduiken in haar huis. Na verraad werd zij gearresteerd en gedeporteerd. Zij stierf in kamp Ravensbrück.
Het geheel is omgeven door een laag, driehoekig hekwerk.

Herdenkingsdatum
2 oktober

Adoptie
De adoptie van het monument kwam op een heel toevallige manier tot stand. De basisschool De Regenboog was in 1993 gehuisvest in noodlokalen op het terrein van Groot Schuylenburg, omdat de nieuwbouw nog niet klaar was. Leraren en kinderen werden toen met het monument geconfronteerd én met het verhaal dat erachter ligt. Dat leidde tot adoptie. Sindsdien is er elk jaar een samenkomst op het terrein van 's Heerenloo (Groot Schuylenburg) van onder andere leerlingen, nabestaanden en belangstellenden.

Het verhaal achter het monument
Op het terrein van 's Heerenloo Midden-Nederland (voorheen Groot Schuylenburg, daarvoor het Apeldoornsche Bosch) staat een eenvoudig monument, een marmeren plaat met acht namen en een glazen plaat met één naam. Het verhaal dat hierbij hoort speelde zich af in oktober 1944.

In 1944 was mevrouw Narda van Terwisga een van de leiders van het verzet in Apeldoorn. Zij had een groep medewerkers om zich heen verzameld, die wel de 'Vrije groep Narda' werd genoemd. De groep was actief met het helpen van joden, het onderbrengen van onderduikers, hulp aan geallieerde piloten, namaken van persoonsbewijzen en het bezorgen van de nodige distributiekaarten voor levensmiddelen. In de groep bleek zich een infiltrant te bevinden die, toen hij in de gaten had dat hij gewantrouwd werd, de groep Narda aan de Sicherheitsdienst heeft verraden. Als gevolg daarvan zijn op 30 september 1944 een aantal verzetsmensen en 2 geallieerde piloten gearresteerd: Wim Aalders, Jan Barendsen, Reinier van Gerrevink, Wim Karreman, Jan Schut, Hans Wijma, Kenneth Ingram en Robert Zercher. Ook Narda van Terwisga werd gearresteerd evenals mevrouw Bitter: in haar huis werden de 2 piloten aangetroffen.

In de nacht van zondag op maandag 2 oktober werden de acht mannen overgebracht naar Het Apeldoornsche Bosch en daar om 5 uur in de morgen gefusilleerd. Hun lichamen zijn daarna op verschillende plaatsen in Apeldoorn neergelegd (zie overzicht). Bij ieder lijk werd een bord geplaatst met het opschrift Terrorist. Ze zijn daar drie tot vier dagen blijven liggen om de bevolking schrik aan te jagen.

Deze brute actie was een duidelijke represaillemaatregel: het was de bezetter in de voorafgaande weken, ondanks herhaalde pogingen, niet gelukt om onder de Apeldoornse bevolking voldoende arbeidskrachten te recruteren voor het graven van schuttersputten en loopgraven in de IJsselstreek.

Mevrouw Bitter werd overgebracht naar kamp Ravensbrück waar zij op 6 januari 1945 is overleden. Zij is dus het negende slachtoffer van het verraad, maar haar naam staat niet op het marmeren monument.

Narda van Terwisga, die eveneens naar het kamp Ravensbrück werd overgebracht, werd op 25 april 1945 door de geallieerden bevrijd. Zij bleef haar verdere leven de gevolgen ondervinden van de oorlogsgebeurtenissen.

Dit zijn de plaatsen waar de lichamen van de geëxecuteerden werden neergelegd:

Wim Aalders Soerenseweg, bij de Koning Lodewijklaan
Jan Barendsen Badhuisweg, hoek Sprengenweg
Reinier van Gerrevink loolaan, hoek Piet Joubertstraat
Wim Karreman Arnhemseweg, bij de Spoorwegovergang
Jan Schut Nieuwstraat, hoek Badhuisweg
Hans Wijma Deventerstraat, bij De Tol
Kenneth Ingram Deventerstraat, bij de brug
Robert Zercher Deventerstraat, vlakbij de Hoofdstraat

Wim Aalders

W.J. Aalders (Wim) werd geboren op 18 februari 1914. Hij werkte tijdens de oorlog bij een accountantskantoor aan de Regentesselaan. Wim Aalders gaf instructie in het gebruik van automatische wapens en was 's avonds en 's nachts vaak op pad voor de verzetsgroep Narda. Waarschijnlijk was hij betrokken bij het opsporen en onderbrengen van geallieerde vliegers, maar hij was uiterst zwijgzaam over zijn verzetswerk. Willem Johannes Aalders ligt begraven op Heidehof.

Jan Barendsen

J.J. Barendsen (Jan) werd geboren te Amsterdam op 11 september 1882. Na zijn opleiding aan de Koninklijke Militaire Academie heeft hij als officier tal van belangrijke functies bekleed. Zijn laatste functie was Commandant van de Koloniale Reserve te Nijmegen, die hij tot 1937 bekleedde. Hij ging al in het begin van de bezetting in het verzet. Zo was hij één van de leidende figuren van het Legioen van Oud-Frontstrijders, het LOF, dat in de zomer van 1940 werd opgericht. Een jaar later zou het samensmelten met de Ordedienst. Luitenant-kolonel b.d. J.J. Barendsen heeft op verzoek van de centrale leiding van de Ordedienst de taak van Gewestelijk Commandant (gewest Veluwe) op zich genomen. In het voorjaar van 1942 is hij met vele anderen opgepakt en als gijzelaar gevangen gezet in Sint- Michielsgestel. Eind 1942 werd Barendsen weer vrijgelaten, waarna hij, zonder enige aarzeling, zijn verzetswerk voortzette.

Hij werd bijgezet in het familiegraf op de begraafplaats te Beekbergen. Barendsen is ridder in de Militaire Willemsorde 4e klasse en hem is postuum het Verzetskruis toegekend (zie ook Verzetsmonument Beekbergen).

Reinier van Gerrevink

R. van Gerrevink (Reinier) is geboren op 4 maart 1907. Reinier verzamelde inlichtingen over Duitse militaire transporten, langs de weg, per spoor of per schip. Hij zag kans informatie te verkrijgen over de aard van de werkzaamheden die de Duitse bezetters op de vliegvelden Teuge en Deelen lieten uitvoeren en ging ook na wat er in Apeldoornse industrieën voor de vijand moest worden gedaan. Hij beschikte over een geheime radiozender waarmee hij zijn informatie aan de Intelligence Service, de Engelse geheime dienst, kon doorgeven. Behalve voor dit inlichtingenwerk heeft Reinier van Gerrevink zich eveneens ingezet bij het opsporen en helpen van geallieerde vliegers die onderdak en verzorging nodig hadden. Ook verzorgde hij vluchtroutes voor de ondergedoken vliegers naar de bevrijde gebieden.
Hij is begraven op de begraafplaats aan de Soerenseweg.

Wim Karreman

W. Karreman (Wim) is geboren op 5 augustus 1925. Zoals dat vaak ging, is ook Wim Karreman geleidelijk bij het verzetswerk betrokken geraakt. Eerst bracht hij illegale krantjes rond, maar later hield hij zich bezig met inlichtingenwerk en verzorgde hij een klein wapenarsenaal. Wim Karreman nam ook deel aan sabotagewerk. Hij is bijvoorbeeld betrokken geweest bij het onklaar maken van de spoorbaan in de buurt van Kootwijk, waarschijnlijk tijdens de grote spoorwegstaking van september 1944.
Enkele dagen na zijn executie is hij in alle stilte bijgezet in het familiegraf op het kerkhof aan de Soerenseweg.

Jan Schut

J. Schut (Jan) is geboren op 8 juni 1918. Na zijn diensttijd trad hij toe tot de marechaussee. Vanaf 1941 nam hij deel aan het verzetswerk. Zijn vader woonde op een boerderij aan de Kuipersdijk. Hier vonden tot aan het eind van de oorlog joodse landgenoten een toevlucht. Als wachtmeester van de Marechaussee had hij de beschikking over een motorfiets en verzorgde buiten diensttijd koeriersdiensten tussen Apeldoorn en het westen van het land Hij heeft ook uiterst riskante wapentransporten verzorgd.
Jan werd begraven op Heidehof, zijn stoffelijk overschot is later overgebracht naar het Ereveld in Loenen.

Hans Wijma

D.H. Wijma (Hans) werd op 5 februari 1917 in Leeuwarden geboren. Hoe Hans in Apeldoorn en bij het verzet terechtkwam, is niet meer na te gaan. Hij had elektrotechniek gestudeerd en bouwde in de oorlog een radio-zenderontvanger. Deze radio was verborgen in een geheime kast, die ook toegang verschafte tot een schuilplaats om onder te duiken.
Hij is begraven op Heidehof.

Kenneth Ingram

K.H.C. Ingram (Kenneth) werd geboren in 1923 in Zuid-Engeland. Na zijn opleiding kwam hij bij de RAF, eerst als monteur, later als Flight Engineer (boordwerktuigkundige) op de grote Lancaster bommenwerpers. Hij vloog in totaal 21 maal mee met aanvallen op Duitsland. Op 22 juni 1944 keerde hij, samen met zeven andere bemanningsleden in een Lancaster terug van een succesvolle missie in het Roergebied. Op de terugvlucht werd de Lancaster getroffen door de projectielen van een Duits jachtvliegtuig.
Twee bemanningsleden zijn bij het neerstorten van het toestel in het Oenerbroek bij Epe omgekomen. De overigen wisten zich met hun parachutes te redden. Drie leden van de bemanning, waaronder de 1e piloot, werden krijgsgevangen gemaakt en de drie overigen, onder wie Kenneth Ingram, wisten te ontsnappen. Zij zijn door verzetsmensen in Apeldoorn ondergebracht. Na een aantal andere schuilplaatsen vond Kenneth in september 1944 gastvrij onderdak bij mevrouw Bitter, aan de Jachtlaan, waar hij op 30 september samen met zijn gastvrouw en Robert Zercher door de SD gevangen werd genomen.
Hij werd begraven op Heidehof.

Robert Zercher

R.W. Zercher (Robert) is geboren in 1907. Hij was buikkoepelschutter aan boord van een Boeing B17 van de US Army Air Force. Op 29 april 1944 keerde de bommenwerper aangeschoten terug van een missie naar Berlijn. Boven de Achterhoek verkeerde het toestel in grote moeilijkheden. Ten zuiden van Ruurlo maakte de piloot een geslaagde noodlanding. De bemanning bleef ongedeerd. Verzetsmensen hielden de negen Amerikanen in de omgeving verborgen. Vijf van hen, waaronder Robert Zercher, kwamen half augustus in Apeldoorn aan. Om veiligheidsredenen moest er nogal eens van onderkomen worden gewisseld. Zo kwam Bob Zercher in september 1944 bij mevrouw Bitter aan de Jachtlaan terecht. In afwachting van de komende bevrijding heeft hij daar, samen met Kenneth Ingram, tekeningen gemaakt van Engelse en Amerikaanse vlaggen, zodat na de bevrijding daarvan snel een aantal zou kunnen worden geproduceerd.
Bob Zercher droeg, evenals Kenneth Ingram, bij zijn arrestatie burgerkleding maar zijn identiteit was bij de SD bekend. Beiden hadden als krijgsgevangene behandeld moeten worden. Ze werden zonder vorm van proces gefusilleerd.
Hij werd begraven op Heidehof; zijn stoffelijk overschot werd later overgebracht naar de erebegraafplaats Neuville-Condroz in België. Meer weten over Bob Zercher en de bemanning van de 'Karen B'? Klik hier.

Juliana Bitter

foto Jelle Reitsma

Voor mevrouw Bitter - van der Noorda is op 3 oktober 2011 aan de voet van het monument een glazen plaquette onthuld door haar achterkleindochter Belinda Bitter en een leerling Niels van de Regenboogschool. De tekst luidt:
Zij liet de piloten Zercher en Ingram onderduiken in haar huis.
Na verraad werd zij gearresteerd en gedeporteerd.
Zij stierf in kamp Ravensbrück.
J.C. Bitter - van der Noordaa
8-11-1878              6-1-1945

In 1944 waren in Apeldoorn verschillende verzetsgroepen actief. Eén groep werd geleid door een vrouw, Narda van Terwisga, die zich onder andere bezighield met het verbergen van neergeschoten geallieerde vliegers.  De negentienjarige Joop (of Joke) Bitter was lid van die 'Vrije groep Narda' ; hij woonde met zijn moeder Juliana Bitter aan de Jachtlaan 134.

Begin september 1944 moesten twee ondergedoken vliegers, de Engelsman Kenneth Ingram en de Amerikaan Robert Zercher naar een veiliger adres. Joop Bitter vroeg zijn moeder, of zij de mannen een tijdje wilde huisvesten. Zij stemde in, hoewel ze heel goed wist hoe gevaarlijk het was. Er is weinig bekend over de persoon Juliana Bitter. Toen haar zoon de vraag stelde, was ze 65 jaar en al meer dan tien jaar weduwe. Flink en verstandig was ze, iemand die moeilijkheden het hoofd wist te  bieden, veel meer is er over haar niet bekend. Niemand weet ook of ze voor begin september andere onderduikers heeft gehuisvest.

In de verzetsgroep van Narda van Terwisga had zich een verrader ingedrongen: de sluwe Willem l'Ecluse. Hij had in korte tijd namen en adressen genoteerd en doorgegeven aan de bezetter. Op 30 september sloegen de Duitsers toe. Narda werd thuis gearresteerd en zes verzetsmensen liepen in de val. De Duitsers gingen ook naar Jachtlaan 134, omdat Joop Bitter op hun lijst stond. Daar troffen zij tot hun grote verrassing in het huis ook Kenneth Ingram en Bob Zercher aan: ’Komm schnell, hier sind zwei Engländer’. In de verwarring wist  Joop Bitter aan zijn bewaker te ontsnappen. Hij is gevlucht naar het bos, maar is diezelfde nacht nog naar het huis van zijn vriend gegaan, ook aan de Jachtlaan. Daar heeft hij het verhaal gedaan en is toen weer vertrokken, want ook dat adres was niet veilig. De rest van de nacht heeft hij doorgebracht op het terrein van het Boschbad.

De zes verzetsmannen, de twee vliegers en de twee vrouwen zijn overgebracht naar het SD-hoofdkwartier aan de Van Rhemenslaan 7 (aan het Oranjepark).

In de nacht van zondag op maandag 2 oktober zijn de acht mannen van het SD- hoofdkwartier overgebracht naar Groot Schuylenburg. Daar zijn ze om vijf uur 's ochtends zonder vorm van proces doodgeschoten. Het waren: Wim Aalders, Jan Barendsen, Reinier van Gerrevink Wim Karreman, Jan Schut, Hans Wijma en de beide vliegers, Kenneth Ingram en Robert Zercher.

Hun lichamen zijn daarna op verschillende plaatsen in Apeldoorn neergelegd. Bij ieder lijk werd een bord geplaatst met het opschrift Terrorist. Ze zijn daar drie tot vier dagen blijven liggen om de bevolking schrik aan te jagen.

Narda van Terwisga en mevrouw Bitter gingen op transport naar het kamp Ravensbrück, 80 kilometer ten noorden van Berlijn. Van de achterblijvende familieleden wist niemand daar iets van. Ravensbrück was berucht om de zware dwangarbeid, de afschuwelijke leefomstandigheden en de moordpartijen. Bijna 100.000 gevangenen hebben dat kamp niet overleefd. Juliana Bitter was één van hen; Ze was al 65 toen ze aankwam en stierf op 6 januari 1945 door uitputting.

Narda van Terwisga overleefde het kamp wel. Zij heeft ook doorgegeven wat Juliana Bitter op het laatst van haar leven tegen haar heeft gezegd: Als ik dit hier niet overleef, laat mijn kinderen dan weten dat ik geen spijt heb van wat ik ook voor hun vrijheid heb gedaan.

Precies 25 jaar na de executie, op 2 oktober 1969, is op Groot Schuylenburg een monument opgericht. Daarop staan de namen van de acht geëxecuteerden, maar niet de naam van het negende slachtoffer, Juliana Bitter. Een fout vonden sommigen meteen al. Zij was weliswaar niet doodgeschoten, maar haar aandeel in het verzetswerk van de groep Narda had haar wel het leven gekost. In de loop der jaren werden wel opmerkingen over die ontbrekende naam gemaakt, ook bij de jaarlijkse herdenkingen. Maar pas in 2010 is besloten het verzuim goed te maken: op maandag 3 oktober 2011 werd een kleine glazen plaquette onthuld voor Juliana Catharina Bitter-van der Noordaa, naast de witte steen met de acht namen.

Een daad van eenvoudige rechtvaardigheid

Meer over Robert Zercher

(foto: Mrs. Ruth Rumsey)

Op het monument voor 2 oktober 1944 staan acht namen. De laatste is die van een Amerikaanse vlieger, sergeant Zercher. Er is te zien dat die naam is veranderd; tot 2 oktober 2006 stond er nog Zurcher. Verkeerd gespeld dus en dat werd pas in 2006 ontdekt. 37 jaar heeft die verkeerde naam op het monument gestaan. Dat moest worden goedgemaakt.
Er was nog iets: er was heel weinig bekend over deze Amerikaan. Geen wonder, omdat z'n naam verkeerd op het monument stond. Inmiddels is er internet en zo kon zijn levensverhaal alsnog worden achterhaald. Dat verhaal luidt als volgt.  
Robert W. Zercher werd in 1907 geboren als zoon van Frank en Ella Zercher. Zijn geboorteplaats was Hallam, York, Pennsylvania.
Daar groeide hij op met zijn tweelingzus Pauline. Hij volgde er basisonderwijs, voortgezet onderwijs aan de William Penn High School en studeerde in vier jaar af aan de Penn State University. Daarna werkte hij acht jaar bij de York Corporation, die o.a. koelinstallaties maakte, als een 'test engineer'. Hij is nooit getrouwd.
Hij nam op 22 september 1942 in Harrisburg dienst als vrijwilliger bij de US Army Air Force (USAAF). Hij was toen al 35 jaar. In Europa was de oorlog drie jaar aan de gang, maar Amerika was pas 9 maanden in oorlog met Japan en Duitsland. Robert Zercher werd opgeleid tot luchtschutter voor een zware bommenwerper. Zo'n bommenwerper had toen een aantal koepels waarin mitrailleurs zaten. Daarmee konden vijandelijke vliegtuigen worden beschoten. Hij moest de geschutkoepel onder de buik van het vliegtuig bedienen. Tijdens zijn opleiding sloeg het noodlot voor de familie Zercher toe: eerst overleed zijn moeder Ella en in augustus 1943 kwam zijn broer Harold W. Zercher om bij een vliegtuigongeluk bij Homestead Field in Florida.
 
Na de opleiding werd hij bevorderd tot sergeant en ingedeeld bij de bemanning van luitenant Nelson. Hij was toen 37 jaar en daarmee veruit het oudste lid van deze bemanning. De overige 9 bemanningsleden waren rond de twintig en kwamen uit alle windstreken van Amerika.
In de periode december 1943 – januari 1944 werden zij naar Engeland overgevlogen. Van daaruit vochten de Amerikaanse luchtstrijdkrachten, samen met de Engelse, tegen Duitsland. Deopham Green in Norfolk werd de thuisbasis.  
De bemanning kreeg daar een B-17G  bommenwerper, die ‘Karen B’ heette naar het zesjarige dochtertje van een piloot. Deze grote viermotorige bommenwerper werd Vliegend Fort genoemd vanwege de zware bewapening: uit de geschutskoepels konden de vliegers alle kanten op schieten. En dat was maar goed ook, want de Amerikanen bombardeerden bij daglicht, ze waren daardoor goed te zien voor Duitse jachtvliegtuigen in de lucht en kanonnen op de grond. Die zware bewapening met mitrailleurs aan alle kanten was nodig om het vliegtuig te kunnen verdedigen. Met de ‘Karen B’ maakten zij hun eerste bombardementsvlucht op 24 april 1944;  Braunschweig was het doel en zij keerden ongedeerd terug.
In de vroege morgen van zaterdag 29 april 1944 steeg de ‘Karen B’ weer op. Op deze dag werden  meer dan zevenhonderd zware bommenwerpers ingezet om het station Friedrichstrasse in Berlijn te bombarderen. Dit station was een belangrijk spoorwegknooppunt en het uitschakelen daarvan, zo dachten de Amerikanen, zou de Duitse oorlogsindustrie om Berlijn een gevoelige klap geven. De arbeiders zouden dan hun fabrieken immers niet meer kunnen bereiken en daardoor zou de productie sterk dalen.  

Amerikaanse bommenwerpers
Station Friedrichsstrasse


Om de bommenwerpers te beschermen tegen Duitse jagers, vlogen meer dan 800 geallieerde jachtvliegtuigen mee.  
Voor de ‘Karen B’ verliep de heenvlucht betrekkelijk rustig. Dat gold niet voor alle vliegtuigen: er raakten vliegtuigen uit de koers doordat hun radars niet goed werkten. Zij dwaalden af naar het zuiden en vlogen zonder jagerbescherming het luchtruim boven Braunschweig binnen (dat is het gebied ten zuidwesten van Berlijn). Daar werden ze genadeloos aangevallen door meer dan honderd Duitse jagers.
Soms ook  konden de geallieerde jagers de bommenwerpers die ze moesten beschermen niet op tijd vinden. In de omgeving van Hannover werden de achteraan vliegende bommenwerpers door 60 tot 80 Duitse jagers aangevallen.  De Duitse jagers  schoten veel Amerikaanse bommenwerpers neer.
Van de meer dan 700 bommenwerpers kwamen er maar 580 boven het doel in Berlijn, de rest was dus neergeschoten of afgedwaald. Bovendien was het doel door de bewolking slecht zichtbaar. Boven Berlijn nam de  Duitse luchtafweer het over van de jagers en bestookte de bommenwerpervloot hevig. Zo vielen er veel minder bommen op het station Friedrichstrasse dan bedoeld en werden er wel veel huizen geraakt in de buurt van het station.  
Bij het terugvliegen kregen de bommenwerpers er opnieuw van langs door aanvallen van de Duitse jachtvliegtuigen. Hun eigen jagers hadden de bommenwerpers niet tijdig kunnen vinden. Pas na het passeren van Hannover werden de bommenwerpers beschermd door geallieerde jachtvliegtuigen .
Ondanks alles werden de resultaten van de aanval als voldoende tot goed beoordeeld door de commandanten, maar de prijs was hoog: er gingen 64 bommenwerpers en 14 jagers verloren. 355 bommenwerpers raakten beschadigd, de meeste door Duitse luchtdoelgranaten.  [1]
Ook de ‘Karen B’ werd boven Berlijn geraakt door de luchtafweer, waardoor er een motor in brand vloog en de brandstoftank voor deze motor ging lekken. Daardoor kon de bommenwerper de anderen niet meer bijhouden en moest de terugvlucht alleen voortzetten. Dat was op zichzelf al gevaarlijk, maar bovendien werd al vlug duidelijk dat Engeland onmogelijk kon worden bereikt. Op een gegeven moment leek het er op dat de complete bemanning uit het vliegtuig zou moeten springen. De piloot vertelde zijn bemanning over de intercom hoe ernstig de toestand van het vliegtuig was en droeg hen op hun parachutes om te gespen.
Toen de linker luchtschutter dat hoorde sprong hij onmiddellijk uit het vliegtuig. Misschien had hij de piloot wel verkeerd begrepen. Hij landde in een dorpje bij Braunschweig, kreeg een pak slaag van de bevolking en werd onmiddellijk krijgsgevangen gemaakt.  
Kort na het passeren van de Nederlandse grens, nu met drie uitgevallen motoren, waarvan er  één brandde,  verloor het toestel meer en meer hoogte. Omdat het vliegtuig nog wel bestuurbaar was, maakte de piloot een noodlanding en gaf geen opdracht om uit het toestel te springen.
Tijdens de landing zaten alleen de piloten in de cockpit – de rest van de bemanning zat in de radiohut. Het was 13:30 uur en het vliegtuig was geland in het bouwland een kilometer of vijf ten zuiden van Ruurlo.  Niemand raakte gewond. De bemanning probeerde het vliegtuig in brand te steken om te voorkomen dat de Duitsers het in handen kregen, maar dat lukte niet echt; er verbrandde maar één vleugel.  Vervolgens maakten zij zich uit de voeten in de bossen om gevangenneming te voorkomen. Een half uur later arriveerden de Duitsers op de plek van de noodlanding, maar toen was de Amerikaanse bemanning al gevlogen.  
En daar liepen dus negen Amerikanen door de Gelderse Achterhoek. Ze moesten hulp zien te krijgen, maar het helpen van geallieerde vliegers was erg gevaarlijk: de Duitsers hadden daar al  in 1941 de doodstraf op gezet. Desondanks werden de negen Amerikanen nog diezelfde nacht opgepikt door de ondergrondse en in Aalten verstopt. Op 1 mei 1944, Tweede Paasdag, was er een belangrijke voetbalwedstrijd met een hoop drukte en lawaai in de straten. Verzetsmensen brachten de vliegers in twee taxi’s naar Zutphen.
Door de vliegers steeds te laten verhuizen, kon het risico worden verkleind dat ze werden opgepakt. Het was de bedoeling om de vliegers via de ‘pilotenlijn’ naar Engeland te laten teruggaan; dan zouden ze de strijd kunnen voortzetten. Het opzetten van zo’n pilotenlijn was niet alleen erg gevaarlijk, het kostte ook veel tijd en moeite. Het was overigens vooral gevaarlijk voor de helpers: die konden de doodstraf krijgen. De vliegers konden alleen krijgsgevangen worden gemaakt.
Na een dag of drie bleven een paar bemanningsleden in Zutphen, recht tegenover het Duitse hoofdkwartier, anderen gingen naar Eefde en later naar Laren en Harfsen. Ook Bob Zercher  kwam daar terecht.
In augustus werd hij samen met vier andere bemanningsleden met de fiets opgehaald door de  verzetsgroep Narda en naar Apeldoorn gebracht. Deze Narda heette eigenlijk Meinarda van Terwisga, was toen 25 jaar en had in Apeldoorn een school waar je o.a. typen kon leren. Zij was een dappere vrouw en had haar eigen verzetsgroep, de ‘vrije groep Narda’.
Om controle bij de IJsselbrug te ontlopen staken zij de IJssel bij Wilp met een roeibootje over.  De vliegers verbleven op diverse adressen: eerst bij de familie Oxener, later bij de familie Kliest, waar ook andere Amerikaanse vliegers al waren ondergebracht.
Bob Zercher en de tweede piloot werden de eerste dagen bij de familie de Vries en dr Stigter opgevangen. Bob Zercher schoof door naar mevr Meijer-de Vries aan de Jachtlaan. Daar wachtte hij net als andere vliegers op de bevrijding, maar die kwam niet.  
Zaterdag 30 september was een rampdag: door verraad werd de groep Narda opgerold.
De Sicherheitsdienst, SD, zette een val op in het huis van Narda van Terwisga aan de Paul Krugerstraat 30 en arresteerde Narda en de meeste leden van haar groep. De SD probeerde ook Joop Bitter, de zoon van mevrouw Bitter-van de Noordaa, die aan de Jachtlaan woonde en ook lid van de groep Narda was, aan te houden. Daar troffen de SD’ers tot hun grote verrassing in het huis ook de Brit Kenneth Ingram en Bob Zercher aan: ’Komm schnell, hier sind zwei Engländer’. Hoe en waarom Bob Zercher en Kenneth Ingram, die beiden bij mevr Meijer-de Vries waren ondergebracht, in september 1944 bij mevrouw Bitter-van der Noordaa op de Jachtlaan 134 terechtkwamen, is niet meer na te gaan.  
Robert Zercher was, net als Kenneth Ingram, bij zijn arrestatie op 30 september in burger. Maar de SD wist dat zij militair waren en daarom hadden zij als krijgsgevangene behandeld moeten worden. Dat gebeurde niet. Zij werden samen  met de zes gearresteerde verzetsmensen hier op Groot Schuylenburg  gefusilleerd. Hun lichamen bleven, met het bord ‘Terrorist’ op de borst, dagenlang op belangrijke punten in de stad liggen om de Apeldoornse bevolking schrik aan te jagen. Het lijk van Bob Zercher lag op de Deventerstraat, vlakbij de Hoofdstraat. Na een paar dagen werd hij begraven op Heidehof.  
Ondanks ontberingen overleefden negen van de tien bemanningsleden van de 'Karen B' de oorlog. Bob Zercher was de ongelukkige, die in Apeldoorn werd vermoord. De overigen keerden terug naar de Verenigde Staten. In juni 1945 werden zeven bemanningsleden nog een keer verzameld in Florida. Daar is het verhaal van de bemanning van de ‘Karen B’  opgeschreven.  
In  februari 1946 lieten de Amerikanen onderzoek doen naar de dood van Bob Zercher. Vervolgens werd zijn lichaam herbegraven op het Amerikaanse oorlogskerkhof Neuville-Condroz in België.  
Op 2 oktober 1969 werd de gedenksteen op Groot Schuylenburg onthuld. Op de steen staat dan: ‘R. Zurcher U.S.A.A.F.’ Waarom  hij er niet als ‘R.W. Zercher Sgt. USAAF’ op is gezet, is onbekend.
Niet alleen in Apeldoorn, ook in de 'Roll of Honour' in de American Memorial Chapel in  St. Paul's Cathedral in Londen staat de naam van Bob Zercher vermeld, samen met de namen van alle 28000 gesneuvelde Amerikaanse militairen die in de oorlog korter of langer in Engeland waren gestationeerd.
Ook de York Corporation hield hun employé's  in uniform in ere; dit was de kop van een poster die regelmatig in de personeelskrant werd afgedrukt. In de witte vlag met rode rand staat het getal 991 voor het aantal employés dat op 1 mei 1944 in de Amerikaanse strijdkrachten diende; de 6 sterren geven het aantal omgekomen medewerkers op die datum weer. Bob Zercher was toen twee dagen ‘Missing In Action’. 1200 medewerkers van de York Corporation dienden als militair in de oorlog; 25 van hen kwamen om het leven.
In 2006 leefde er niemand meer van de bemanning van de ‘Karen B’. Toch is het goed dat de naam van Bob Zercher nu correct op de gedenksteen op Groot Schuylenburg staat vermeld: R.W. Zercher Sgt. USAAF, samen met de namen van verzetsstrijders die zich toen hebben ingezet om onze vrijheid te helpen herwinnen.  
En vrijheid is heel belangrijk, om te kunnen zeggen wat je denkt, om te kunnen doen wat je leuk vindt, om niet bang te hoeven zijn dat je zomaar door soldaten uit je huis wordt gehaald, om zonder te zijn veroordeeld te worden gestraft.   

Voor een gedetailleerde beschrijving van het bombardement op Berlijn, klik hier.

Naar boven

lettergrootte: