Schrikbewind en dwangarbeid

In het begin van de Tweede Wereldoorlog probeerden de Duitsers door propaganda hun gezag te handhaven. Hun doel was immers de Nederlandse samenleving aan te passen aan de ‘Duitse orde’. Toen na korte tijd bleek dat die aanpassing niet lukte, koos de bezettingsmacht voor het uitoefenen van een schrikbewind.

 

Eén middel was het nemen en doden van gijzelaars, een tweede het uitvoeren van vergeldingsacties. Als de Duitsers bij aanslagen de schuldigen niet vonden, gijzelden ze volkomen willekeurige mensen, vaak uit de stad of streek waar de aanslag was gepleegd. Soms was het doel van zo’n gijzeling het verzet tot inactiviteit te dwingen, een andere keer dachten ze dat de schuldigen zichzelf zouden aangeven om de gijzelaars vrij te krijgen. Gijzelaars kwamen meestal in kamp Amersfoort of Vught terecht.

Er waren nog twee andere groepen gijzelaars: de zogenaamde ‘Indische’ gijzelaars en de gijzelaars uit het Brabantse Sint Michielsgestel. Met de eerste groep wilde de bezetter het gezag in Nederlands-Indië dwingen de daar geïnterneerde Duitsers goed te behandelen. De tweede groep werd in mei en juli 1942 gearresteerd en bestond uit bekende Nederlanders, burgemeesters, hoogleraren, schrijvers, politici enz.

Hoeveel mensen in totaal het slachtoffer zijn geworden van represailles is alleen maar te schatten; zeker is dat het er veel meer dan duizend zijn.

Dwangarbeid

Doordat Duitse mannen dienst deden in het leger, hadden industrie en landbouw in Duitsland een permanent tekort aan arbeidskrachten. Al vanaf de zomer van 1940 riep de bezetter Nederlandse werklozen op te gaan werken in Duitsland. Omdat die oproepen weinig succes hadden, gingen de Duitsers steeds meer dwang uitoefenen. De leeftijdsgrenzen voor de meldingsplicht werden steeds ruimer, eerst gold die voor alle mannen tussen 18 en 35 jaar, dat werd 17 tot 40 en zelfs 16 tot 55 jaar.  Onrust en angst waren het gevolg en velen doken onder.  De Duitsers dreigden met strafkampen en begonnen met grootscheepse razzia’s. Ook volgden er fusillades van gijzelaars.

Het totale aantal ingezette arbeiders is moeilijk te berekenen, maar het ligt tussen de 400.000 en 650.000 man. Men schat dat 50.000 dwangarbeiders zijn omgekomen door ziekte, uitputting, mishandeling of bombardementen.

Monumenten

Gedenkteken 2 oktober 1944, Groot Schuylenburg
De Dwangarbeider
Gedenkteken 8 maart 1945, Woeste Hoeve
Monument slachtoffers Japanse vrouwenkampen
Plaquette Centraal Beheer

Apeldoorn

In Apeldoorn waren de eerste jaren van de oorlog vooral de joden het slachtoffer van  terreurmaatregelen. Na de Dolle Dinsdag (2 september 1944) en de luchtlandingen bij Arnhem (17 september 1944) richtte het Duitse schrikbewind zich ook op andere burgers.

Eén zo’n uitbarsting van blinde terreur hield verband met een oproep voor dwangarbeid. Eind september wilden de Duitsers loopgraven en schuttersputten laten graven in de IJssellinie.  Het project ging de mist in. Een week later herhaalden de Duitsers de oproep. Weer meldde zich bijna niemand.

De reactie van de bezetter was gruwelijk: op 2 oktober werden acht gevangenen, zonder vorm van proces, op het terrein van het (voormalige) Apeldoornsche Bosch doodgeschoten. Hun lijken werden op acht verschillende plaatsen in Apeldoorn neergelegd.

Daarna herhaalden de Duitsers hun oproep: op het marktplein stonden later die dag veel meer mannen en jongens dan de Duitsers nodig hadden.

Nadat een serie oproepen voor nieuwe spitters geen resultaat had, organiseerde de bezetter op 2 december een razzia.  Weer waren er executies vooraf. Net als op 2 oktober stond de markt vol. In twee treinen werd een deel van de mannen en jongens ’s avonds afgevoerd naar Duitsland, velen naar het  Arbeitslager Rees.

Eén actie van het verzet leidde tot extreme vergeldingsmaatregelen. Tijdens een overval bij de Woeste Hoeve in de nacht van 6 op 7 maart 1945 raakte Rauter, de Höhere SS- und Polizeiführer in Nederland, zwaar gewond. De Duitsers besloten tot massa-executies. Op allerlei plaatsen in Nederland werden meer dan 260 executies voltrokken. De grootste groep werd op 8 maart bij de Woeste Hoeve gefusilleerd.

Onderduiken

“Mijn vader maakte zich erg boos over Hitler, die vond dat joden een minder soort mensen waren. Vreselijk vond mijn vader dat. Alle mensen zijn gelijkwaardig en je mag ze nooit vervolgen om hun afkomst of om wat ze denken, zei hij. Mijn vader huilde toen de Duitsers ons land binnenvielen.
Onze buurman verzette zich tegen de Duitsers. Op een dag in 1944 werd hij verraden. Duitse soldaten namen hem mee. De andere buurman zat ook in het verzet. Hij was bang dat ze hem ook zouden oppakken. Hij vroeg ons of hij bij ons kon onderduiken. Hij verstopte zich in de kelder naast het hondenhok. Alleen mijn vader en ik wisten het. Ik bracht de buurman telkens eten en leegde zijn po. Ik was toen negentien jaar oud.
Opeens stonden de Duitsers in de gang. Op hun geweren zaten lange messen. Daarmee prikten ze in kasten en muren. Ze zochten overal, ook in de kelder. Ook in het hondenhok staken ze met hun bajonet van links naar rechts. Ze zagen gelukkig het nachtgedeelte niet; daar had de buurman zich verstopt. Hij heeft het overleefd”.

(herinneringen van Job Woltman)

Monumentenkaart

Via onderstaande button bekijk je de kaart met alle Apeldoornse monumenten.

 

Monumentenkaart

Adopteer een monument

Op de website van het nationaal Comité 4 en 5 mei is alle informatie over het adopteren van oorlogsmonumenten te vinden.

 

Meer info >