Verzet

Sabotage aan het spoor door de KP: 6 mei 1943,
een ontspoorde Duitse goederentrein tussen Wierden en 


Verzet tegen de Duitse bezetter was er tijdens de Tweede Wereldoorlog op allerlei manieren. In het begin ging het vrijwel alleen om demonstratief gedrag waarvan de Duitsers niet wakker lagen.Dat veranderde met de Februaristaking van 25 en 26 februari 1941 tegen de anti-joodse maatregelen. Imponerend was ook de staking van mei 1943 tegen de opdracht aan de Nederlandse militairen zich te melden als ‘krijgsgevangene’.  Massaal was het protest in april 1943 van studenten die weigerden hun handtekening te zetten onder de loyaliteitsverklaring. Dat was een protest met gevolgen, want wie niet tekende, moest zijn studie staken en onderduiken.

Toch werden de Duitsers niet blijvend gehinderd door deze verzetshouding; zo konden ze bijvoorbeeld in alle rust doorgaan met de deportatie van de Nederlandse joden. Bovendien: de meeste Nederlanders gingen na enige tijd over tot de orde van de dag: werk, studie, huishouden, sport.

Nog minder algemeen was het ondergrondse verzet. Dit was het georganiseerde en individuele optreden tegen wetten en belangen van de vijand. Voorbeelden daarvan: spioneren, sabotage plegen, geheime kranten uitgeven, persoonsbewijzen vervalsen, neergestorte geallieerde vliegers onderbrengen, joden laten onderduiken, verraders liquideren of illegaal naar Engeland oversteken om van daaruit te vechten tegen de nazi’s.

In het begin waren veel illegale activiteiten lokaal georganiseerd, soms werkten zelfs plaatselijke groepen niet eens samen of wisten niet van elkaars bestaan. Dat probleem heeft bestaan tot het eind van de oorlog, maar in de loop van de jaren ontstond er wel een landelijk verband: de Landelijke Organisatie (LO). Deze had een gewapende hulporganisatie, de zogenaamde Knokploegen (KP). De vaak spectaculaire activiteiten van de KP springen er in de geschiedbeschrijving het meest uit, maar de belangrijkste en omvangrijkste taak van de LO was de minst opvallende: hulp aan onderduikers.

Tot 1942 waren er weinig onderduikers, eigenlijk alleen illegale werkers van het eerste uur. In de zomer kwamen daar de joden bij die zich niet meldden voor transport. In totaal zijn er ongeveer 25.000 joodse Nederlanders ondergedoken, onder wie 6000 kinderen die niet meer bij hun ouders waren. De straffen voor gezinnen die joden onderdak hadden verschaft vielen heel verschillend uit, maar mensen die zorgden voor valse papieren of geld, werden altijd zwaar gestraft met opsluiting in een concentratiekamp, meestal nadat ze waren gemarteld. Na de stakingen in april en mei 1943 doken duizenden ex-militairen en studenten onder. Er waren er toen ook velen die zich onttrokken aan de Arbeitseinsatz (tienduizenden!). Het totaal aantal onderduikers was aan het begin van 1944 tot boven de 100.000 gestegen. En zeker na de spoorwegstaking in september 1944, toen ook alle spoorwegwerknemers moesten onderduiken, was het huisvesten en verzorgen van al die mensen een gigantische illegale operatie. De schattingen lopen uiteen van 250.000 tot 350.000 onderduikers.

In september 1944 werden vanuit Londen alle verzetsgroepen samengebracht in de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten met prins Bernhard als opperbevelhebber. Het bleek heel moeilijk Knokploegen te laten samenwerken met bijvoorbeeld de Ordedienst. De laatste was een geheime organisatie van voornamelijk Nederlandse officieren.

Het aantal illegale werkers tot Dolle Dinsdag (5 september 1944) wordt geschat op 25.000. Tot aan de bevrijding kwamen daar nog zo’n 7000 bij. Ongeveer 6000 illegalen zijn omgekomen in gevechten, gefusilleerd of gestorven in een concentratiekamp.

Net als in de rest van Nederland waren er in Apeldoorn in het begin van de oorlog wel demonstratieve verzetsuitingen. Concreet en effectief verzet kwam van de groep De Helpende Hand. Vanaf het najaar van 1940 tot voorjaar 1942 hielp die weigeraars van de Arbeitseinsatz met geld en distributiebonnen.

De twee vroegste Apeldoornse verzetsgroepen waren de Oranjewacht en de groep rond de Ugchelense arts Duuring. De leden van de Oranjewacht werden al eind 1940 gearresteerd.  Door verraad vielen Duuring en twee leden van zijn groep in maart 1942 in handen van de SD. Ze werden ter dood veroordeeld en gefusilleerd. (Zie monument De Ugchelse kei)

Gezinnen in Apeldoorn en de omliggende dorpen hebben tijdens de oorlog onderdak geboden aan joodse onderduikers. Omdat er een speciale Apeldoornse politie-eenheid was om joden op te sporen, zijn er nogal wat arrestaties verricht. Dikwijls was er ook verraad in het spel; de verrader kreeg immers een geldelijke beloning.

Net als in de rest van Nederland was er in Apeldoorn een groot aantal illegale kranten. Dat waren landelijke bladen als Trouw en Vrij Nederland, maar vanaf 1942 ook plaatselijk geschreven en gedrukte uitgaven met namen als De Waarnemer en De Ondergrondse Koerier, Oranje boven. Vanaf mei 1944 bestond er ook een illegale Apeldoornsche Courant. Een enkele keer waren de bladen gedrukt, maar meestal verschenen ze gestencild.

Ook in Apeldoorn sloten aparte verzetsgroepen zich in de loop van 1943 aan bij de LO en de KP.  Rondom deze groepen waren allerlei helpers actief. Werknemers van de PTT zorgden voor telefoonverbindingen die niet konden worden afgeluisterd en werknemers van de spoorwegen gaven inlichtingen door die sabotageploegen konden gebruiken. Medewerking kreeg het verzet ook van sommige politiemensen. (Zie Gedenksteen politiebureau en Marechausseemonument).
Verschillende bedrijven stelden opslagruimte ter beschikking voor zenders en wapens. Soms waren die ook verborgen in woonhuizen. (Zie Aambeeld met gebroken hamer)

Vooral officieren zijn vanaf het begin actief geweest bij de organisatie van een dienst die bedoeld was om na de bevrijding op te treden als handhaver van orde en gezag, als een soort hulppolitie (Oranjewacht, Legioen van Oud-Frontstrijders).  Op allerlei plaatsen in het land waren officieren bezig met dezelfde activiteiten, die in de loop van 1941 integreerden in de landelijke Ordedienst (OD). De Duitsers arresteerden veel leidinggevende figuren van deze groep. (Zie Gedenkteken 2 oktober 1944, Groot Schuylenburg)
Daardoor en door onderling wantrouwen is de integratie van OD en verzetsorganisaties niet van de grond gekomen.

Na de mislukte landingen bij Arnhem nam de terreur van de Duitsers zo toe, dat het verzet werd klemgezet. Op 30 september 1944 schakelde de SD de groep van Narda van Terwisga uit. (Zie Gedenkteken 2 oktober 1944, Groot Schuylenburg)
Een golf van arrestaties en liquidaties volgde. De plaatselijke leiders van het verzet werden gearresteerd. Een belangrijk contactpersoon bij de politie werd verraden. (Zie Gedenksteen politiebureau) Op 2 december was de tragedie bij de Willem III-kazerne toen de nazi’s 13 mannen fusilleerden. (Zie De drie zwerfkeien aan de Sportlaan)
Op 10 januari 1945 werd de zendpost aan de Nijverheidsstraat opgerold (Zie Monument Radio Kootwijk)
Vlak voor de bevrijding van Apeldoorn, op 12 en 13 april, executeerden de Duitsers 16 gevangenen bij Hoog Soeren. (Zie Gedenkstenen Kruisjesdal)
De laatste oorlogsmaanden waren voor het Apeldoornse verzet een en al rampspoed. Toch slaagde men erin een groep van de Binnenlandse Strijdkrachten te vormen. Leden daarvan hebben in ieder geval voorkomen dat Apeldoorn op 17 april zou worden blootgesteld aan een artilleriebombardement (Zie Gedenksteen bij Het Sluisje).

 

Het dagelijkse leven in oorlogstijd

Job was 14 toen de oorlog begon. Hij was juist naar Apeldoorn verhuisd. Hij moest wennen aan de nieuwe omgeving. Dat hield hem meer bezig dan de oorlog. Trouwens de eerste oorlogsmaanden bleef het tamelijk rustig in Apeldoorn.

De NSB-ers hadden op straat een grote bek. Op school had je leden van de Jeugdstorm, dat was de afdeling van de NSB voor jonge mensen. Aan de aanplakbiljetten en door de radio en de krant merkte je dat het oorlog was: er werd alleen verteld en geschreven wat de Duitsers goed vonden.

Job was bij de padvinderij gegaan. In 1941 werd dat verboden en de Jeugdstorm nam het padvindershuis in bezit. Er kwamen steeds meer verboden, ze slopen je leven binnen en de vrijheid die je had werd je langzaam afgenomen. Je werd boos en ging de NSB en de Jeugdstorm pesten.

Voor de oorlog was er grote werkloosheid en hadden de mensen het al moeilijk om de eindjes aan elkaar te knopen. Je had bonnen nodig om voedsel en kleding te kopen. Tijdens de oorlog nam dat alleen maar toe. Job en zijn familie leden geen honger, maar het eten was wel schaars. Job ging wel eens mee op de fiets met aanhanger om in de Beemte bij de boeren voedsel te ruilen tegen zilveren lepels en linnengoed. Dat was niet zonder gevaar, want Landwachten, een soort politie, hielden je aan en pakten het eten af dat je geruild had. Ze hadden zelf ook veel konijnen en kippen thuis. En op de schrale zandgrond verbouwde zijn vader sla en andere groentes.

Elke dag ging Job gewoon naar school. Hij had huiswerk, proefwerken en moest examen voor de MULO doen. In het begin van de oorlog was er een leraar door de Duitsers opgepakt. Geschiedenis moest anders worden verteld, op zo’n manier dat de Duitsers er goed af kwamen. Job ging lopend naar school. Zijn fiets liet hij thuis. Want die moest je op een zeker moment bij de Duitsers inleveren. De kans was groot dat je werd aangehouden en dat je je fiets kwijt was.

Toen Job 17 werd kwam er nog een gevaar bij. Vanaf het achttiende jaar moest iedere man werken voor de Duitsers. Je kon zomaar worden aangehouden en meegenomen als de Duitsers weer arbeiders nodig hadden. Je moest dan gaan werken bij de IJssel, of erger, werken in fabrieken in Duitsland.

Op zekere dag werd Job koerier. Hij bracht brieven en pakjes naar adressen in Apeldoorn. Zijn vader was lid van de OD, de ordedienst. Een verboden, geheime organisatie die het land zou gaan besturen als de Duitsers weg waren. Zij hadden steeds onderling contact met hulp van deze koeriers. Dit was gevaarlijk werk, want er was steeds een kans dat je werd aangehouden. Als de Duitsers dan ontdekten wat je bij je droeg, werd je direct gevangen genomen.

Wat er in die brieven stond heeft Job toen niet geweten. Misschien wel het nieuws dat ze afluisterden van Radio Oranje. De buurman van Job had een echte radio, waarmee men in het geheim kon luisteren naar waardevol en goed nieuws over de oorlog. Bij Job thuis stond een stencilmachine. Hierop werden de berichten gemaakt en als een soort krantje verspreid in de buurt. Dat moest ’s avonds gebeuren als het donker was,  want niemand mocht dat zien. Maar ook dat was gevaarlijk, want het was verboden om na 20.00 uur op straat zijn.

Na de slag bij Arnhem (september 1944) tot aan de bevrijding van Apeldoorn op 17 april 1945, waren er steeds onderduikers in het huis van Job. Onder de zitkamer was een schuilplaats gemaakt. Vanuit luiken in de kamervloer kon men de onderduikers eten geven. Buiten, onder een kist met stro voor de konijnen zat de ingang naar de schuilplaats.

De onderduikers waren overdag ook buiten: ze zaagden hout, wandelden in de buurt en gingen soms ook naar de kapper! Het waren vooral Engelse en Amerikaanse soldaten, vaak bemanningsleden van vliegtuigen die waren neergeschoten of neergestort. Ze bleven soms maar een dag, soms een maand. En altijd moest er gezorgd worden voor voedsel, passende kleren, een vervalst persoonsbewijs. Met zijn zus bracht Job deze militairen naar Kootwijkerbroek.Dat was een gevaarlijke tocht. Jobs zus reed een eind vooruit. Als er onraad was of iets dat ze niet vertrouwde, stapte ze af; dat was een sein voor de militairen en Job om weg te duiken in de bosjes, of om zich bij een boerderij te verstoppen. Op het vervalste persoonsbewijs stond altijd dat de eigenaar slechthorend of doof was, want ze spraken alleen Engels… Job reed altijd achteraan. Hij moest voortdurend achterom kijken of daar geen gevaar loerde. Het is gelukkig altijd goed gegaan en alle militairen bereikten veilig hun eigen leger. Enkele dagen voor de bevrijding van  Apeldoorn werd de stad steeds beschoten. De Canadezen dachten dat er nog veel Duitsers waren. Op de morgen van de 17e april werden Job en alle aanwezigen in huis wakker gemaakt door de buurman. “We zijn bevrijd!” riep hij. Iedereen ging naar buiten. Job ging met een onderduiker naar hotel Nieland (nu hotel Apeldoorn), vlak bij zijn huis. Daar waren steeds Duitse soldaten gelegerd. De onderduiker ging het hotel binnen om zich ervan te overtuigen dat er geen vijand meer was. Schreeuwend en zwaaiend met een hakenkruisvlag kwam hij voor een raam tevoorschijn: er was geen Duitser meer te bekennen. Diezelfde dag gingen ze naar het plein bij het gemeentehuis om de bevrijders te begroeten. De dagen erna zochten ze steeds contact met de Canadezen: zij hadden chocola en sigaretten, daar was iedereen verzot op.

Na de oorlog ontving Job diverse onderscheidingen, waaronder het Verzets Herdenkings Kruis.
Tot aan zijn dood is Job nog actief betrokken geweest bij herdenkingen en vieringen die met de Tweede Wereldoorlog te maken hebben.
Job Woltman stierf op 4 september 2003.


Onderduiker Bob de Lange in de schuilplaats


De   hooikist met daarachter de ingang van de schuilplaats

 

Monumentenkaart

Via onderstaande button bekijk je de kaart met alle Apeldoornse monumenten.

 

Monumentenkaart

Adopteer een monument

Op de website van het nationaal Comité 4 en 5 mei is alle informatie over het adopteren van oorlogsmonumenten te vinden.

 

Meer info >