Bijlage 2: Conflict N.A.C. en NSB

BIJLAGE 2 - Conflict Nieuwe Apeldoornsche Courant met NSB
(GAA/Archief burgemeester Pont doos 2 map 5)

INHOUD
- Ingezonden artikel "Onrecht" van M. aan de N.A.C.; 30 augustus 1940.
- Brief van de Persdienst N.S.B. kring Apeldoorn aan de Hoofdredactie van de N.A.C.; 6 augustus 1940.
- Brief van de Hoofdredacteur van de NAC aan de Persdienst N.S.B. kring Apeldoorn; 7 augustus 1940.

-----

DISTRIBUTIE - NIEUWS  30-07-1940

Onrecht.?
Wie het ongeluk heeft, zonder geld of goed op de wereld te staan en meent door eigen kennis en kracht vooruit te komen, leert in den strijd om het bestaan eerst goed de onwaarachtigheid de huichelarij en de ongerechtigheid van het menschdom kennen.
Onze maatschappij wemelt van officieele getolereerde misstanden, waaraan vrijwel door niemand aanstoot genomen wordt, laat staan een einde gemaakt.
Onder de vele sociale ongerechtigheden tiert ook het maatschaplijk kwaad der cumulatie en protectie rustig voort.
Door dit verderfelijke en onrechtvaardige systeem is het nog heden ten dage voor groote groepen hoofdarbeiders uit den burgerstand onmogelijk om zich, ondanks goede ontwikkeling en noeste vlijt op te werken tot een behoorlijk betaalde positie in de maatschappij.
Door het kwaad der cumulatie beschikken enkelen over twee soms driedubbele inkomens, terwijl tallooze andere werkers daardoor niet aan den slag kunnen komen, of een zoo miniem salaris ontvangen, dat geen behoorlijke basis aanwezig is voor de stichting van een gezin. Het Cumulatie systeem is daarom zoo afkeuringswaardig, omdat het de jonge werkers belet den natuurlijken drang van den mensch te volgen n.l. een gezin te stichten en kinderen groot te brengen.
Ook het protectie-systeem dient scherp veroordeeld te worden, omdat het personen aan functies en betrekkingen helpt, waarin zij krachtens vakkennis, opleiding en capaciteiten niet op hun plaats zijn. Titels, klinkende namen en aanbevelingen van min of meer hooggeplaatste personen, zijn de kruiwagens waarmede men op de begeerde plaatsen wordt gerold. Op vakkennis diploma's en capaciteiten wordt daarbij minder gelet.
In vele gevallen heeft deze kaste van bevoorrechten ook nog de gewoonte de capaciteiten van hun ondergeschikten op alle mogelijke manieren uit te buiten, de verkregen resultaten tot eigen roem aan te wenden en zoodra zij menen het werk meester te zijn, degenen die hen in het zadel geholpen hebben wegens bezuiniging gebrek aan werk of met een brevet van ongeschiktheid te verwijderen.
Dit is in vele gevallen de dank die de energieke maar rechtlooze "arbeiders met het boordje" krijgen.
Door de geweldige veranderingen, die thans op staatkundig, economisch en sociaal gebied plaatsgrijpen, hoopt dit soort arbeiders, dat er ook voor hen een einde kome aan dit systeem van rechtloosheid en uitbuiting.
Natuurlijk is het verre van ons te beweeren, dat sommige van de hierboven beschreven toestanden in de goede Gemeente Apeldoorn zouden voorkomen, maar desondanks zijn er nog snoodaards die meenen, dat de plaatselijke distributiedienst te dien opzichte niet geheel vrij uit gaat.
Mogelijk zijn er onder de lezers van Uw blad menschen, die mij hierover inlichtingen kunnen verschaffen.
Outsider. M., Apeldoorn.

-----

Persdienst N.S.B. Kringen 34 Apeldoorn en 81 Veluwe. Funct.: W.

Apeldoorn, 6 Augustus 1940
"de Wolfsangel" Waltersingel 85.

Aan de Hoofd-Redactie van de Nw.Apd.Crt. ALHIER.

Mijne Heeren,
Hedenavond was ten mijnent de Heer M., die mij inzage verstrekte van een dossier met diverse gegevens betreffende mistanden, welke hier ter plaatse blijken te bestaan bij de Plaatselijke Distributiedienst.
Genoemde Heer gaf mij o.m. ter inzage een ingezonden stuk, getiteld "ONRECHT" dat door hem vorige week Dinsdag ter opname in de Nw.Apd.Crt. werd ingezonden. Dit hebt U niet opgenomen, doch zooals bleek bij het persoonlijk onderhoud, dat de Heer M. op Zaterdag jl. met Uwen Heer R. had, door U zonder voorkennis noch toestemming van den Heer M. aan het Hoofd van den Pl. Distributiedienst was ingezonden. U deelde den Heer M. mede, dat U niet tot opname wenschte over te gaan, zeggende dat Gemeentelijke instellingen en officieele diensten niet aan critiek mochten worden blootgesteld, van wie ook. Wel wenschte U inzage te hebben van alle stukken, waarover de Heeren, die deze actie wenschen te voeren, beschikken, doch dat het dan nog aan U ter beoordeling zou staan of U deze wenschte te plaatsen of niet.
Dit is in het kort de geschiedenis tot zoover.
Het zal U duidelijk zijn, dat genoemde Heeren, die over behoorlijk gedocumenteerd materiaal beschikken, waaruit inderdaad blijkt dat bij den Plaatselijken Distributiedienst toestanden heerschen, die in een behoorlijk geordende maatschappij niet thuis behooren, niet van plan zijn in deze weigering Uwerzijds te berusten.
In dit verband zou ik U erop attent willen maken, dat het niet op Uw weg ligt te beoordeelen in hoeverre deze toestanden al dan niet juist zijn, doch nog veel minder ligt het op Uw weg om te trachten onder de tegenwoordige omstandigheden het openlijk aan de kaak stellen van onrecht, o.a. in den vorm van cumulatie, bevoordeeling van vriendjes en vriendinnetjes enz. tegen te houden of onmogelijk te maken. Wellicht dat dit onder het democratisch bewind voor 10 Mei gebruikelijk was, maar wellicht zal het ook tot U doorgedrongen zijn dat er in den sindsdien verloopen tijd in Nederland en óók in Apeldoorn het een en ander veranderd is en er binnen zeer afzienbaren tijd nog veel meer gaat veranderen.
Doel van dit schrijven is dan ook U beleefd doch dringend te verzoeken mij Uw standpunt in deze nader toe te lichten, d.w.z. mij te doen weten of U bij de aan den Heer M. gegeven weigering tot opname van diens eerste ingezonden stuk, wenscht te blijven volharden.
Zoo ja, dan zal het U duidelijk zijn dat ik als Hoofd van den Persdienst in Kringen 34 en 81 der NSB hierin niet zal berusten en als zodanig niet zal toestaan dat bestaand onrecht door Uw medewerking blijft bestaan, resp. er mij de noodige wegen openstaan om U tot andere gedachten te brengen.
Het ligt niet in mijn bedoeling U onaangenaam te zijn, maar onder de tegenwoordige omstandigheden meen ik van U te mogen verwachten een open oog en een open blad voor alle misstanden, welke aan het licht mochten komen, óók indien openbaarmaking daarvan onaangenaam mocht zijn voor bepaalde personen, die dit het liefst met den mantel der liefde bedekt zouden zien. Die tijd IS DEFINITIEF VOORBIJ en ik geloof dat U verstandig zoudt doen door zich hiervan terdege rekenschap te geven.
Het zal mij aangenaam zijn, alvorens ik tot verdere stappen in deze bij bevoegde instanties overga, spoedig hierop Uw antwoord te ontvangen.
In afwachting hiervan teeken ik, hoogachtend (W.)
Hoofd Persdienst N.S.B. Kringen 34 Apeldoorn en 81 Veluwe.

-----

Nieuwe Apeldoornsche Courant - Apeldoorn, 7 Augustus 1940

Den Heer W. Hoofd Persdienst N.S.B. Kringen 34 Apeldoorn en 81 Veluwe,
Waltersingel 85 Alhier.

Weled. Heer,
In antwoord op Uw schrijven d.d. 6 Augustus 1940 moge het volgende dienen:
Wanneer de heer M. 't aan U heeft doen voorkomen, alsof naar mijn opvatting gemeentelijke instellingen en officieele diensten niet aan critiek zouden mogen worden blootgesteld, dan is die voorstelling van zaken - zeer zacht uitgedrukt - onjuist. Die opvatting is mijnerzijds nimmer gehuldigd, noch redactioneel noch ten aanzien van de rubriek "Ingezonden Stukken". Ik kan dus in het onderhoud, waarbij Zaterdagmorgen de heer M. tegenwoordig was, nimmer mij in den zin, als door hem aangegeven, hebben uitgelaten.
Een andere vraag is, welke vraag voor geen enkele redactie een kwestie uitmaakt, of een redactie het recht heeft, zonder voorkennis van den schrijver, een ingezonden stuk ter inzage te geven aan de een of andere officieele instantie, waarop in het ingezonden stuk critiek wordt uitgeoefend.
We raken hier het beschikkingsrecht van een redactie.
De opvatting schijnt te bestaan, althans bij de heer M. c.s., dat een redactie verplicht is een ingezonden stuk op te nemen, zooals 't haar ter plaatsing aangeboden wordt. Zij heeft niet een onderzoek in te stellen naar de juistheid ervan, noch ligt 't op haar weg een officieele instantie gelegenheid te geven voor een onderschrift, waardoor eventueele misverstanden kunnen worden opgeheven.
Kortom, zij heeft alleen maar te aanvaarden, met ter zijde stelling van haar eigen inzichten, ten aanzien van de wijze, waarop de krant geredigeerd zal worden.
De schrijver van ingezonden stukken is koning en een redactie heeft niet anders te doen dan het ingezonden stuk eerbiedig te aanvaarden.
U houdt mij ten gegoede, maar dat beteekent de zaak op haar kop zetten. In de praktijk zou een dergelijke gedragslijn hierop neerkomen, dat de redactie van een krant gevoerd zou worden buiten de redactie. Daarop zou neerkomen de plaatsing van een serie ingezonden stukken, bedoeld als campagne, waarop in het onderhoud van Zaterdagmorgen gezinspeeld werd.
In dit verband moge ik opnieuw op een onjuiste voorstelling van zaken de aandacht vestigen, ik heb geen inzage gevraagd van alle stukken, waarover de Heeren, die de campagne wenschen te voeren, beschikken.
Ik heb alleen de wenschelijkheid betoogd, dat de heeren in een rustig uurtje, vooraf bepaald, zouden komen uiteenzetten, wat hun plan en hun grieven waren. Dan zou, aan de hand daarvan, kunnen worden beoordeeld, of er al of niet aanleiding zou zijn voor een serie ingezonden stukken, welke "wij - aldus de heeren van Zaterdagmorgen - zouden plaatsen".
Ik heb gevraagd wie die "wij" waren, doch op die vraag werd geen antwoord gegeven.
Zoo staat de zaak.
Ik kan U daarbij de verzekering geven, dat de redactie er niet aan denkt, tenzij zij door hoogere bevoegde instantie daar toe gedwongen wordt, een serie ingezonden stukken te aanvaarden, waarvan zij niet te voren in de gelegenheid is gesteld geworden die te beoordeelen. U houdt van duidelijke definities, wij ook.
Welnu: een redactie, welke zich haar verantwoordelijkheid bewust is, accepteert geen inmenging van derden, wanneer 't er om gaat vast te stellen, hoe de krant samengesteld zal worden.
De beslissing daarover berust bij de redactie.
In gevallen van twijfelachtigen aard vraagt zij het oordeel van haar Directie.
Die omstandigheid was in het geval - M. niet aanwezig.
U brengt de democratie in het geding en de periode van voor den tienden Mei.
't Is mij niet recht duidelijk wat een en ander met deze concrete gevallen te maken heeft.
Resumeerend moge het volgende worden opgemerkt:
Het ingezonden stuk van "Outsider" - M. - kan niet voor plaatsing in aanmerking komen.
Tot deze conclusie ben ik gekomen na het onderhoud, dat ik met de leiding van den Distributiedienst ter zake mocht hebben.
Wanneer de heer M. zich daardoor bezwaard gevoelt, dan kan hij nader overleg plegen met onze Redactie.
Ten aanzien van de "serie ingezonden stukken", waarvan het schrijven van den M. blijkbaar de inleiding moest vormen, handhaaf ik mijn opvatting, dat de redactie vooraf op de hoogte gesteld behoort te worden en bij haar beslissing berust over de opname.
Ik hoop duidelijk genoeg geweest te zijn in niet al te veel woorden.
Ten slotte een persoonlijk woord tot U.
U dreigt met "verdere stappen bij bevoegde instanties" en veronderstelt dat ik verstandig genoeg ben mij rekenschap te geven van het feit, dat de tijd van voor 10 Mei definitief voorbij is. Ik kan U dankbaar zijn voor deze voor mij vriendelijke veronderstelling.
Laat ik U overigens de verzekering mogen geven, dat ik mij zeer bewust ben van de veranderingen, welke bezig zijn zich te voltrekken. Maar dat beteekent geenszins, dat ik mij maar nederig buk voor wien zich als rechter over mij meent te moeten stellen. Voor mij geldt inderdaad het recht, maar dan Recht met een hoofdletter.
De beslissing van "bevoegde instanties" zie ik met belangstelling tegemoet.
Inmiddels, Hoogachtend,  [Get.] de Hoofd-Redacteur