Bijlage 4: Razzia Rees

BIJLAGE 04  -  Razzia – Rees
(zie overigens het boek uit 2005 over Rees van de heer Disberg)

Verslag B. Zwerus van treinreis naar Rees via Bocholt [origineel in bezit van C.Tijink].

AAN den Heer B.Zwerus, geboren 2-6-1897 Langeweg 92 ALHIER.

L A S T G E V I N G.
Op last van den Beauftragte für die Provinz Gelderland, namens den "Wehrmachtbefehlshaber in den Niederlanden", draag ik U op zich op maandag, 7 augustus 1944, des voormiddags om 7.30 uur, te melden op het marktplein bij het gebouwtje van de visafslag.
U dient, indien mogelijk, een schop of spade mede te nemen. Verder moet U zorgen voor voeding voor den gehele dag.
Voor den duur van ongeveer twee weken zult U worden tewerkgesteld voor het verrichten van graafwerkzaamheden. Het loon, alsmede de vergoeding voor de medegebrachte gereedschappen zullen U nader worden bekendgemaakt.
Ik vestig er met klein Uw aandacht op, dat U onder alle omstandigheden aan deze lastgeving dient gevolg te geven en dat het niet nakomen van deze lastgeving door de Duitsche autoriteiten met de strengste maatregelen zal worden gestraft.

APELDOORN, den 1 Augustus 1944.
De Burgemeester van Apeldoorn, (getekend Pont) K. 5562. vD.

Op bevel van de Duitsche Weermacht worden volgens de Verordening van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied, No. 42/1941, betreffende de verplichting tot het verrichten van diensten en betreffende de beperking ten aanzien van het veranderen van betrekking en in overeenstemming met de Verordening No. 48/1942 alle mannen in den leeftijd van 17• tot 40 jaar (jaargangen 1905-1928) voor den arbeidsinzet opgeroepen.
Hiervoor moeten ALLE mannen van dezen leeftijd onmiddellijk na ontvangst van dit bevel met de voorgeschreven uitrusting op straat gaan staan.
Alle andere bewoners, ook vrouwen en kinderen, moeten in de huizen blijven totdat de actie ten einde is. De huisdeuren moeten geopend blijven. De mannen van de genoemde jaargangen, die bij een huiszoeking nog in huis worden aangetroffen, worden gestraft, waarbij hun particulier eigendom zal worden aangesproken.
Bewijzen van vrijstelling van burgerlijke of militaire Instanties moeten ter controle worden meegebracht. Ook zij, die in het bezit zijn van zulke bewijzen, zijn verplicht zich op straat te begeven.
Er moeten worden medegebracht: warme kleding, stevige schoenen, dekens, bescherming tegen regen, eetgerei, mes, vork, lepel, drinkbeker en boterhammen voor één dag.
De dagelijkse vergoeding bestaat uit goeden kost, rookartikelen en loon volgens het geldende tarief.
Voor de achterblijvende familieleden zal worden gezorgd.
Het is aan alle bewoners der gemeente verboden hun woonplaats te verlaten.
Op hen, die pogen te ontvluchten of weerstand te bieden, zal worden geschoten.

-----

IN MEMORIAM:

Bocholt-Harreveld 2 december 1944 - 17 mei 1945 (B.Zwerus geboren 2-6-1897)

(blz.I) Van Apeldoorn naar Bocholt (Duitsland)
Men schreef 2 December 1944: Het was voorzeker met klimmende angst voor ons Nederlandse volk dat deze vreselijke Winter tegemoet ging en voor ons als mannen in het bijzonder, die binnen die leeftijdsgrens in aanmerking kwamen, met de razzia's, door de bezetter opgepakt en meegesleurd te worden naar Duitsland.
Bij de eerste razzia in oktober waren al vele Apeldoornse mannen opgepikt en naar de IJssel of ergens elders gebracht om te werken aan de stellingen en loopgraven. Dit om straks de te verwachten "Vijanden" tegen te houden en zo al hun plannen te verijdelen!
Ook ik was aangewezen mee te gaan naar Dieren (hier hoop ik later terug te komen).
Op die bewuste morgen dan van de 2e December bij het opstaan dreigde er (blz.II) vreemde gebeurtenissen op handen te zijn. De wegen waren overal afgezet en niemand mocht de straat op. Tegen acht uur werd bij ons een "Bevel" door de bus gedaan. Het vermelde dat wij mannen ons gereed moesten houden en straks op straat noesten gaan staan, gepakt en bezakt in afwachtende houding!
Na onderhandeling met mijn huisgenoten de familie J. besloot ik een koffer te pakken met het weinige wat aan levensmiddelen nog voorhanden was. En tegen ongeveer 11 uur toog ik met mijn goede huisgenoot C.J. op weg naar de Markt. Veel was er op straat niet te zien, alleen wat mannen, met hetzelfde doel voor ogen als wij.
Het Marktplein, dat geheel was afgezet met wapens en gewapende macht, betraden wij met het gevoel 'nu zitten we in de muizenval' (blz.III) en komen er niet weer uit! Het was bevelen dit en bevelen dat en gestuur van 't ene einder naar het andere eind. Even een praatje met de een of de andere bekende, vooral over ons toekomstig lot, waarvan geen een iets zeker wist.
Een triest regentje begon druilend neer te vallen en deed nog het laatste restje moed tot beneden het vriespunt dalen! Enkele slachtoffers hadden hun speciale kleding aangetrokken menende daarmee van een reisje naar het Oosten van ons land en dan de grens over af te zijn. Onder deze figuranten verscheen ook de Heer K. [Knipscheer; één van de oprichters van de Monuta begrafenisonderneming] in plechtig begrafenisuniform. Hij meende door dit zo bij uitstek indruk makende kledingstuk van een dergelijk transport af te komen. (blz.IV) Doch ook DIT was niet bij machte het Duitse gemoed te vertederen. Ook hij moest mee naar de "Duitsche Heimat". Een onderdeel van dit beschreven gewaad zou de volgende morgen voor mij nog dienst doen en bijdragen mijn leven te redden (dus even geduld wat de verdere toelichting betreft).
Na wachten en verbeiden uur na uur was het ongeveer vijf uur toen wij gesommeerd werden in het gelid te gaan staan, ik meen 5 of 6 op een rij in een zeer lange stoet, werd het teken gegeven "op te rukken". Naar onze eerste halte en wel naar de school Kanaalstraat hoek Stationstraat. Ook deze pleisterplaats was gewapend van binnen en van buiten en ook dáár overviel ons de bekende "muizenval"-gedachte. Wat later ook wel terecht bleek...
Vele vrouwen en moeders verschenen aan de hekken - zo het ten minste (blz.V) vergund werd - om nog afscheid te nemen, misschien voor het laatst en om nog wat brood of iets anders af te geven.
Eindelijk tegen half acht werden wij opnieuw opgesteld en de korte reis naar het station afgelegd. Onder het mooie licht van de opkomende maan schreden wij zwijgend het stationsplein over en werden als willoze schapen in de donkere coupés van de trein geduwd, vervuld met weinig moed gevende gedachten........
Naast mij zaten 2 zoons van mijn Zuster en de twee gebroeders M. Al de andere personen in onze afdeling waren mij niet bekend. De gedachte werd ook door iemand geopperd als zouden wij naar Drente gaan "arbeiden". Doch dit bleek al spoedig, toen de noodlottige trein vertrok, misgerekend, want deze zette traag de koers naar Deventer in.
Niet veel werd er gesproken. Een ieder (blz.VI) was met dit gedwongen reisje nu niet bepaald ingenomen want de gevolgen zouden voor menigeen een treurig einde hebben en ook nog voor een zeker aantal de dood.
Onze trein naderde Deventer in de stilte van de zaterdagavond. Bij het heldere maanlicht konden wij duidelijk zien dat zover het oog kon zien alles blank stond en niets reikte dan water en nog eens water. Als uitgestorven en triest doemde de Koekstad voor ons op. De anders zo levendige provincie- en handelsstad geleek nu wel een uitgestorven burcht midden in de zee!
Met rupsensnelheid gleed de trein over de IJsselbrug, om even later het station binnen te rijden, streng bewaakt door de Duitsers die als met een dievenlantaarn langs de wagens paradeerden en de nodige bevelen gaven als er licht werd ontstoken voor een sigaret of pijp. (blz.VII) Vliegtuigen ronkten boven de stad dus alles heel stil en donker.
Eindelijk na zeer lang wachten zette onze trein zich in beweging richting Almelo. Het zal ongeveer 10 uur zijn geweest. Hier konden wij het zo erg gebombardeerde station van uit onze zitplaatsen (niemand mocht er even uit) in ogenschouw nemen. Hetzelfde lot hadden de stations van Almelo, Hengelo en Enschede getroffen.
Zo af en toe probeerde een of meer van onze medereizigers een "tukkie" te doen dat bij sommigen gelukte. Anderen waren van zins de langzaam leeg rakende magen wat bij te vullen uit de meest zuinige voorraad. Wie weet wanneer er voedsel zou verstrekt worden?
Tegen de ochtend naderden wij de Duitse grens en verdween het laatste stukje dierbare (blz.VIII) Vaderlandse bodem uit ons oog. Veel werd er niet gesproken in onze afdeling. Enkelen probeerden wat te slapen. Een ander trachtte een hartversterking naar binnen te werken. Weer anderen keken star en stil voor zich uit en trachtten in de toekomst te zien! Ook onze machinist scheen geen haast te hebben en liet af en toe zijn "paard" wat rust te gunnen, om wat op adem te komen, door te stoppen. Wat hiervan de reden was is ons nooit duidelijk geworden.
Het was Zondagmorgen 3 December. Wij naderden de Duitse stad Bocholt in Westfalen. Doch onze trein reed door, ongeveer een kilometer of 8 verder en bleef toen plotseling staan tegenover een dorp, ik meen dat het Weert was, dus geen station. Hier was het halt! Even later bleek dat er vliegtuigen in aantocht waren, luchtalarm weerklonk en niet lang daarna verschenen enige dood en verderf brengende "luchtmonsters", ongeveer een 6 of 8-tal. Haastig vlogen ze over ons heen, doch dadelijk keerden ze terug. Het was ongeveer 10 uur als het DODELIJK MOMENT ER WAS! Ramen rinkelden, hevige knallen weerklonken en een wolk van stof belette evengoed te zien wat er gebeurde. Wel zag ik, kort tevoren de Duitsers die op de treeplank stonden, de vlucht nemen het vrije veld in. Later hoorden wij dat er ook wat van dodelijk getroffen zijn.
Op eens voelde ik een klap tegen mijn rechter been doch voelde geen pijn en toen zag ik het bloed er langslopen. Meteen kroop ik onder de zitbank tegenover mij om wat meer beschut te zijn, maar rond ziende bemerkte ik dat mijn reisgenoten in paniekstemming uit de wagon renden. Ik meende nu toch hun voorbeeld te moeten volgen (blz.X) doch gelijk met de stap in de diepte voelde ik het gewonde been afbreken en machteloos viel ik op de grond. Ik kroop om beschut te zijn onder de trein. Doch gelijk was de aanval ten einde en verwijderden de vliegtuigen zich in de richting van waar zij kwamen. Hierop kroop ik er onder vandaan en zag eens rond hoe de toestand was. Een klein slagveld met gewonden. Overal lagen de arme slachtoffers, kermend en gillend om hulp roepende, maar er lagen ook stervenden.
Gelukkig was ik zeer kalm en behield mijn zelfbeheersing. Wel riep ik om hulp, waarop mij gezegd werd, dat ik dadelijk gehaald zou worden. Even geduld. Eerst dacht ik aan mijn beide neven M. en H., waar die waren en meteen verscheen M., die verzekerde dat ik zeer gewond was. Ik zei hem dadelijk te zoeken naar zijn broer wat hij direct ging (blz.XI) doen. Gelukkig bleek hij ook ongedeerd te zijn.
Onderwijl bloedde het been geweldig en viel mijn oog op een zwart voorwerp, een dik zwart koord met verzilverde einden. Dit was het bewuste onderdeel van het plechtige rouwgewaad van de Heer K.[Knipscheer]. Ik vroeg aan iemand dit aan te reiken om daarmee het been af te binden om doodbloeding te voorkomen. Uit curiositeit is dit koord nog in mijn bezit, wat voor zeker uitstekend dienst heeft gedaan. Waarvoor zulk een "plechtig sieraad "al geen dienst voor moest doen!
Na enige tijd kwamen een paar mannen met een grote plank. Ik werd daar op gelegd en over een beek naar de eerste de beste boerderij gedragen. Daar waren al meer slachtoffers beland. Onderwijl kwamen enkele bekende Apeldoorners bij mij, doch langzaam aan (blz.XII) begon de pijn aardig te komen.
Mijn twee neven verzocht ik flink een ieder aan een arm te trekken en beval de oudste mijn koffer uit de coupé te halen en het brood dat er in was straks mee te nemen. Onderwijl verscheen een oud Westfaals pastoortje, die ons een hand gaf en aan wie ik vertelde dat als ik zou sterven het bloed van Christus mijn enig vertrouwen was. Daarop zei hij volmondig "Dan is het goed met U" (OE!). Een dergelijk moment in 't leven, als elk masker afvalt, is geweldig en ik zou het niet gaarne gemist hebben, afgezien van de grote ellende van 't ogenblik.
Om een uur of drie kwamen een paar ziekenauto's uit de stad en werden vele patiënten vervoerd naar de hospitalen in Bocholt. Ik kwam terecht in het zogenaamde (blz.XIII) Casino, dat tot ziekenhuis was ingericht. Eerst werd ik in een grote hal gelegd waar ook een heel aantal Hollanders waren. Zij zaten aan een gemeenschappelijke tafel hun brood te eten wat keurig met gebed besloten werd.
Na lang wachten werden mij de kapotgeschoten en bebloede kleren uitgedaan en werd ik naar een operatiezaaltje gedragen. Ik herinner me dat een Duitser zei "Ik ben aalmoezenier, hindert dat?" Ik zei "wel neen". Hierop kwam ik onder narcose en weet ik niet wat er verder met mij gedaan is.
Toen ik weer bij kwam lag ik op een grote zaal in een keurig ledikant met nog meer gewonden. Daarvan kende ik G.Jolink en W.Uitenbogaard en de Heer Knipscheer. (blz.XIV) Hier was de verpleging uitstekend. Men kon haast niet geloven in een vijandelijk land te zijn. De volgende dag gingen er al weer enige terug naar Holland, doch ik ging pas de volgende dag mee.
Op die bewuste Maandag 4 December kregen wij bezoek van enige Apeldoornse heren waar onder de NSB-Burgemeester van Apeldoorn Dr. Pont en Dr. Slechte. Deze heren zouden spoedig zorgen dat wij weer in Holland kwamen. Nu daar waren wij wel voor te vinden. Op ons gemak waren wij allerminst.
Het luchtalarm was bijna niet stil. Dag of nacht, vliegtuigen cirkelden geregeld boven de stad wat de Duitse heren, die op zaal waren, steeds naar de "Keller" de wijk deed nemen en ons maar aan ons lot overlatend. Dat wekte van zelf bij ons een onprettig gevoel op. (blz.XV)
De Dinsdag brak aan, de patiënten werden weer keurig geholpen en mijn been lag nu in een gazen omhulsel. Het was zeer pijnlijk, vooral door de behandeling. Het eten was hier erg fijn, doch lust tot eten was gering want nu begon de wondkoorts een woordje mee te spreken.
In de middag kwam zelfs het lekkerste witte brood voor de dag met het nodige er op. Het was haast niet te geloven. Vlak voor ons vertrek kregen we een goed gekruid glas wijn. Dus wie zegt nu nog dat de Duitsers zulke slechte mensen zijn!! -----
Tegen vier uur tot half vijf werden wij gereed gemaakt voor onze reis naar Holland. Op draagbaren werden wij naar buiten gedragen in een hoge, dichte wagen met van achteren twee deuren met één paard er voor, meen ik, en (blz.XVI) met 6 à 7 gewonden erin. Een er van was nog in staat enigszins in zittende houding te reizen en zat aan ons voeteneind bij de deuren. Nadat deze gesloten waren ging het met trage gang de stad uit en de weg op naar de grens in de richting van Aalten.
Uren verstreken. Al spoedig viel de duisternis in. Af en toe werd er een woordje gewisseld met een der lotgenoten, voornamelijk om de moed niet kwijt te raken. Enkele begonnen te klagen over dorst wat geen wonder was. Af en toe werd ons rijdend hospitaal door de Duitsers aangehouden met een bits "Halt" en verder ging het weer. Maar afwachten waar wij zouden aanlanden.
Eindelijk tegen negen uur werden wij gewaar, dat ons vervoermiddel een laan op reed (blz.XVII) waar grind lag. En ja daar om plusminus half tien stopte het vehikel voor het Rooms-katholieke Sint Vincentius gesticht of klooster "Harreveld", eerder opvoedingsgesticht en nu als noodziekenhuis ingericht.
De deuren van onze wagen gingen open en een lichtstraal uit een handlantaarn bescheen ons en de "broeders" begonnen ons uit te laden. Eerst een gang door toen de trappen op naar een van de boven-afdelingen. Dit gebouw is zeer groot als men weet dat er in die vreselijke winter van 1944-1945 circa 800 mensen verpleegd werden, daarbij een 200-tal verplegend personeel. Dat is in totaal zo ongeveer een duizend personen. Misschien is het nog wel meer want ook de nevengebouwen lagen vol. "Harreveld" is (blz.XVIII) een klein dorp op zichzelf met behalve het grote hoofdgebouw met Kapel, vele bijbehorende werkplaatsen voor timmerlieden, schoenmakerij, eigen drukkerij, smederij enz. en een grote boerderij met bijbehorende gronden en weilanden. Veel heb ik er vanzelfsprekend niet van kunnen zien. Pas met Hemelvaartsdag zou ik voor het eerst weer buiten komen en de naaste omgeving aanschouwen.
Doch ter zake, boven gekomen werden wij op onze draagbaar op de grond gelegd en werden de namen genoteerd. Toen werden we de verschillende zalen opgedragen waar de bedden gereed waren en tevens voorzien was van een warme kruik. Dat deed zeer weldadig aan na zulk een lange reis van ongeveer 5 uur.
Op deze afdeling werkten Diaconessen uit Arnhem. (blz.XIX) Het was nu dus 5 December, Sint Nicolaas en daar op de late avond verscheen onze goede Sint omstuwd van paters, broeders, nonnetjes en ander personeel, een hele optocht. De heilige man richtte goede woorden tot ons en liet zwarte Piet wat lekkers ronddelen. Voorwaar wel een vreemd Sint Nicolaasfeest zover van huis, geheel in de vreemde onder alleen vreemde mensen en wonderlijke omstandigheden. Doch ik was ook dankbaar gestemd wetend de wonderlijke leiding en bescherming Gods, die ons niet in de steek liet en ook daar Zijn kinderen had die ons met Christelijke liefde verzorgde. Het was laat geworden, de lichten werden gedoofd en de eerste nacht op Harreveld ging in.
[einde handgeschreven schrift]