Bijlage 5: Verslag Paleis Het Loo

BIJLAGE 05 - verslag Paleis Het Loo [archief museum Paleis Het Loo].

RAPPORT

van P.C. Wiessner

betreffende de gebeurtenissen voor het uitbreken van de oorlog, tijdens de bezetting en na de bevrijding van het Koninklijk Paleis Het Loo te Apeldoorn.

1940 --- februari.

In verband met het veelvuldig overvliegen van Engelse en Duitse bommenwerpers worden voorzorgsmaatregelen getroffen om bij eventuele brand of bomschade alle waardevolle goederen uit het Koninklijk bezit in de kelders en gangen onder het Paleis in veiligheid te brengen. Hiervoor werden aangewezen de kelders en gangen onder de keukens. Deze gangen werden voorzien van extra versterkingen. Voor vensters en deuren werden zandbarricades gebouwd. In één van de kelders werd een stelling geplaatst waar de schilderijen konden worden opgesteld.
De kostbare porseleinen serviezen werden alle in kisten verpakt. Het zilver werd omschreven wat betreft merken en modellen en gefotografeerd. In de linnenkamers werden vijf grote linnenkisten volgepakt met waardevol linnen. Hieronder was het linnen uit de tijd van Anna Pauwlowna. Complete lijsten van het beschikbaar personeel werden opgesteld. Iedere groep van arbeiders zou in noodgeval belast worden met het verzamelen van een speciale afdeling goederen. Al deze voorbereidende werkzaamheden werden gedaan om in geval van nood de zekerheid te hebben dat in de kortst mogelijke tijd alle waardevolle goederen in veiligheid gesteld konden worden.

1940 --- 10 mei.

Zekerheid dat Duitse troepen onze grenzen hebben overschreden zodat onmiddellijk alle arbeidskrachten van de verschillende afdelingen worden verzameld. Om zeven uur 's morgens werd iedere groep, voorzien van alle gegevens betreffende de goederen, die hij in de kelders brengen moest, aan het werk gezet. Grote schilderijen worden uit de lijsten genomen en alles volgens het vooropgezette schema uitgevoerd. Op de avond van de 10e mei is voor een waarde van ongeveer 600.000,- gulden in veiligheid gebracht. In de komende nachten worden uit het Paleis ter beschikking gesteld van hulpposten van het Rode Kruis en Luchtbeschermingsdiensten, bedden, matrassen en dekens, onder andere aan de volgende posten: Berghorstweeshuis, Kinderziekenhuis Mary en Christelijke Hogere Burger School.
Van het Kinderziekenhuis Mary en post Chr. H.B.S. zijn alle goederen na gebruik terug ontvangen. Van het Berghorst Weeshuis zijn de meeste goederen verloren gegaan. Dat is zeer zeker toe te schrijven aan de N.S.B. Weesvader J.

1940 --- 12 mei.

Op deze dag meldt zich een Duits officier die zowel in het postkantoor als in het Paleis de telefooninstallatie controleert en buiten bedrijf stelt. Aan de koperslager J. Busser geef ik opdracht een loden bus te maken waarin ik 5 gouden voorwerpen deed die mij door Hare Majesteit de Koningin persoonlijk in bewaring werd gegeven. Deze bus werd 's avonds [of op 10 mei] om 10 uur in aanwezigheid van de Intendant Jonkheer van Suchtelen van de Haare achter het Oude Loo begraven.

1940 --- 13 juli.

Het Koninklijk bezit wordt verbeurd verklaard. Het beheer berust bij Baron Schröder en de S.S. Officier Dr. Bockamp. Dr. Bockamp maakt een afspraak met de Intendant voor een bespreking 's middags 4 uur. Hij komt echter reeds om 2 uur. Kennelijk om daarbij niet de Intendant maar mij alleen te kunnen spreken. Het was Dr. Bockamp bekend dat de Intendant niet in de plaats was en niet voor 4 uur aanwezig kon zijn. Zijn bedoeling was het volgende: door een buitengewoon vriendelijke houding papieren in handen te krijgen uit het schrijfbureau of de kasten uit de werkkamer van Hare Majesteit de Koningin. Het volkomen afwezig zijn van enig beschreven papier was voor bovengenoemde heer een grote tegenvaller.

1941 --- april t/m mei.

Troepen kwartieren zich op het Paleis in onder commando van Commandeur Friede. Zij bezetten de Oost- en Westvleugel. Deze bezetting is de schuld van de N.S.B. Weesvader J. Alle voorbereidingen waren getroffen om het Weeshuis onder te brengen in de villa Loudon (hoek Loseweg) en de Duitsers in het Berghorst Weeshuis. Een en ander met goedvinden en hulp van het Bestuur van het Berghorst Weeshuis. Door tegenwerking van J. mislukte dit plan echter.
Eind mei vertrokken deze troepen voor de aanval op Rusland en reserveerden zij het Paleis om hier weer hun intrek te nemen na in 4 weken Rusland verslagen te hebben. De toestand waarin zij het Paleis verlieten was droevig om te zien.

1941 --- juni.

Jonkheer W. Roëll bezoekt mij en roept mijn hulp in als radiotechnicus. Bij hem heeft zich gemeld onder de naam 'Smit' een jonge man van ongeveer 22 jaar. Hij had aan Jonkheer Roëll verteld in opdracht van de Inlichtingendienst als parachutist in Drenthe te zijn afgeworpen. Hij was in het bezit van een kortegolfzender en had opdracht een uitgebreide radiodienst op te bouwen. Als medewerker was hem als eerste aangewezen Jonkheer Roëll. Het verzoek van Jhr Roëll was thans of ik hieraan mijn medewerking wilde geven en zo ja, voor reparatie van de zender wilde zorgdragen.
Diezelfde avond bezocht ik ten huize van Jhr Roëll de zogenaamde Smit. Hij liet mij zijn vervalste stamkaart zien. De foto hierop bleek niet geheel in orde te zijn. Als geboorteplaats was hierop vermeld Ambarawa in Nederlands Oost Indië. Ik sprak hem daarop in het Maleis aan waarop hij mij niet antwoorden. Aangezien wij niet overtuigd waren werkelijk met een betrouwbaar persoon te doen hebben verzochten wij hem ons eerst iets naders van zichzelf te vertellen. Hij deelde ons daarop mee adelborst te zijn. Hierop maakte ik voor de volgende avond een afspraak voor een onderhoud tussen Jhr Roëll, Smit en een zeeofficier H. Haakman en mijzelf in mijn woning in het Paleis. Genoemde heer Haakman heeft daarop Smit getest en kon ons zekerheid geven dat zijn beweringen absoluut juist waren. De mij als volkomen betrouwbaar bekend staande radiozendamateur J. Meyer (Asselsestraat) werd thans in het complot opgenomen en de zender gerepareerd.
Smit verzekerde ons dat deze zender niet straalde zodat het voor de Duitse Opsporingsdienst onmogelijk was deze zender te peilen. Aangezien de heer Meyer en ik overtuigd waren dat dit onjuist was werd door ons een peilontvanger samengesteld. Smit kwam thans op vastgestelde tijd in de lucht en werd door ons in de kortst mogelijke tijd gelokaliseerd. Binnen enkele dagen verschenen dan ook Duitse peilwagens bij het Paleis en op de Wieselseweg. De bedoeling was om in het Paleis een zender onder te brengen. In verband met het steeds aanwezig zijn van de peilwagens werd besloten Smit naar de kustoever te brengen. Smit (H.S. uit Arnhem) viel in handen van de contraspionage. Daarop op 29 augustus 1942 vielen voor het Vaderland Jonkheer Roëll, Dr. During, Kees Vermaat, de heer Dam en Hans Somers.

1941 ----- 4 juni t/m 29 augustus 1942.

Tijdens deze periode speelde zich in het Paleis het volgende af.
Onder de vloer van de kleine eetzaal werd een ----- aantal ----- -- ----- verborgen van ongeveer 600 kilo. Alle fotonegatieven van het Koningshuis en alle vlaggen werden op der zolders zorgvuldig verstopt. Het zilveren toiletstel van Hare Majesteit de Koningin en de Friese gouden kap, beugeltjes enzovoort werden door mij overgebracht naar de heer G. Martinus (Kerkhof 3 in Zutphen). Een waardevol miniatuur en een klokje van Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Juliana en een uitgebreide fotoverzameling werd bij de heer Stokhuizen (Hoofdstraat 166) ondergebracht. Een verzameling voorwerpen, afkomstig uit de nalatenschap van Hare Majesteit de Koningin Moeder [Emma] werd in bewaring genomen door de heer A. Hooiberg (Dellerweg Epe) enzovoort, enzovoort.

1941 ----- oktober.

Commissie van 5 Oberzahlmeisters bezoeken het Paleis onder aanvoering van Generaal Böseler, Chef-Intendant van de Wehrmachtsbefehlshaber. Deze Commissie bestaat uit Oberzahlmeister Reiber (N.S.), G., S. en W. Deze Commissie is belast met het in bezit nemen van alle goederen die zij geschikt acht bruikbaar te zijn voor de Wehrmacht. Tevens komt thans aan de orde de volgende vraag: moeten wij blijven en redden wat er te redden isof het gehele bezit in handen van de Duitsers en NSB-ers achter laten?
Waar wij reeds vergaande plannen hadden gemaakt om de persoonlijke goederen van Hare Majesteit de Koningin en alle historische schilderijen uit de handen van de vijand te houden en tevens door mijn aanwezigheid hier mogelijkheden geopend werden voor de berichtendienst, besloot ik geheel vrijwillig in dienst van het Rode Kruis van de Duitse Wehrmacht over te gaan. Het besluit bleek achteraf bezien volkomen juist te zijn geweest. Ik kwam tot grote schrik tot ontdekking dat zich in de werkkamer van de Particulier Secretaris van Hare Majesteit de Koningin nog een gedeelte van het geheim archief bevond. Het was door de aanwezigheid van de Commissie onmogelijk deze stukken uit het Paleis te verwijderen. Daarop vernietigde ik met toestemming van de Intendant en in zijn aanwezigheid deze stukken. Hij pleegde hierover overleg met Baron van Geen. De stukken, die in opdracht van Baron van Geen moesten behouden blijven, werden hem ter hand gesteld.

1942 ----- februari.

Aankomst van Stabarzt Dr. Rüge en Oberzahlmeister Clausen. Generaal Böseler bezoekt het Paleis met een staf van Duitse bouwkundigen en neemt zich de volgende verbouwingen voor:
1e. Rookzaal en wapenzaal zullen volkomen omgebouwd worden tot operatiezalen. Hiervoor zullen de vloeren uitgebroken moeten worden en het plafond uit de wapenzaal zou moeten komen te vervallen.
2e. De wanden tussen de kleine eetzaal en groene salon en tussen de groene salon en theesalon moesten worden weggebroken. Daardoor zou één grote zaal ontstaan.
3e. Vanuit de Fouriersgang zou een loopbrug gemaakt worden dwars door de kerk heen naar de grote eetzaal.
4e. De tussenmuur tussen Moirekamer en aansluitend badkamer zou worden weggebroken.
5e. De Commediezaal zou geheel worden verbouwd. Hierdoor kwamen 2 personeelskamers en het magazijn van de geweerkamer te vervallen.
6e. De oude huisknechtkamer met de daarbij aansluitende WC zou worden uitgebroken en ingericht worden als een grote toiletruimte.
7e. De badkamers in de houten gang moesten veranderd worden in een saunabad.
8e. Alle badkamers in de Oostvleugel worden veranderd in waskamers door het weghalen van de baden en het daarvoor in de plaats stellen van granieten wasbakken of vaste wastafels.
9e. Een schuilkelder voor ongeveer 500 personen zou gebouwd moeten worden met een aansluiting op het Paleis.
10e. De keukeninstallatie zal door het plaatsen van 4 kookketels in capaciteit opgevoerd worden tot ongeveer 1000 porties per dag.
11e. In de kelders werd een koelinstallatie aangebracht.
Al de eerste dag blijkt mij dat de Chef-Arzt Dr. Rüge geen Nationaal Socialist is. Hij verzekerde mij alles in het werk te zullen stellen om te voorkomen dat het Koninklijk Paleis door de voorgestelde bouwkundige veranderingen zijn historische waarde zal verliezen. Door de Duitse Staf worden als bouwkundige ingenieurs met de verbouwing belast de Hollandse Ingenieur Derksen en als Hoofdopzichter de Heer Bestebreurtje. Tot mijn groot geluk bleek mij dat beide heren volkomen goede vaderlanders waren. Het resultaat van samenwerking tussen Dr. Rüge, genoemde heren en mij was het volgende: het plan 1 tot en met 4 kwam volkomen te vervallen en het plan 5 tot en met 10 werden uitgevoerd.
Aangezien 1 tot en met 4 onoverkomelijke schade aan het historisch gedeelte van het Koninklijk Paleis zou teweeg hebben gebracht past hier een woord van dank aan genoemde heren. Het heeft heel wat moeite en kracht gekost om dit plan, waarop de Duitse bouwkundigen zich schijnbaar verlustigd hadden, ongedaan te maken. Tevens kreeg ik van Dr. Rüge toestemming om de kamers van Hare Majesteit de Koningin afgesloten te houden. Dit was voor ons wel een van de grootste redenen tot dankbaarheid. Ik zelf kreeg opdracht mijn in de voorkant van de oostvleugel gelegen woning te verlaten en mij te vestigen in de Parkwachterswoning. Later zou eerst blijken van hoeveel nut dit zou zijn. Tevens moesten de kantoren van de Intendance en Houtvesterijen het Paleis verlaten. Er werd echter toestemming gegeven alle kantoormeubels, materialen en machines mee te nemen.

1942 ----- 1 april.

Alle niet door de Weermacht in beslag genomen goederen werden thans overgebracht naar het Jachthuis Gortel, Het Oude Loo en de Koninklijke Stallen (koetshuizen).
Kunstverzamelaars van Hitler en Göring laten hun oog vallen op de vijf doeken uit de Audiëntiezaal. Dr. Rüge aan wie ik dit meldde weet Baron von Schröder over te halen deze in 1690 door de kunstschilder De Larisse geschilderde doeken aan hem ter beschikking te stellen zo ze opnieuw in de Audiëntezaal te plaatsen. Was dit niet gelukt dan was wel één van de meest waardevolle versiering uit het gebouw verloren gegaan.
S.S. neemt de Koninklijke Stallen in beslag en geeft ons 14 dagen tijd om alle goederen weg te voeren. De verhuizing neemt 5 weken in beslag. Besloten wordt het meest waardevolle onder te brengen in de oostvleugel van het Paleis Soestdijk, het Aardhuis, het Jachthuis Gortel en het Oude Loo. De oostvleugel van het Paleis Soestdijk zal ingericht worden als Staatsmuseum. Daardoor wordt voorkomen dat zich daarin bevindende voorwerpen naar het buitenland zullen kunnen worden vervoerd. Een gedeelte van de schilderijen, ongeveer 28 stuks worden naar het Paleis Noordeinde overgebracht en vandaar uit in een rijksschuilkelder geborgen. Uit het Koninklijk bezit worden verder het kasteel Schoppenweihe bij Colmar en verscheidene rijksbureaus in Berlijn ingericht. Daar wij volkomen georiënteerd zijn over plaats van aflevering en reeds het meubilair van brandmerken is voorzien is het mogelijk reeds veertien dagen na de bevrijding aan de Commissaris Generaal voor Economische belangen in Duitsland, Kolonel Posthumus Meyes (Emmalaan 4, Amsterdam) een volledig rapport met alle gegevens te doen toekomen.
De vleugel met elektrische pianolamp en pianokruk uit de salon van Hare Majesteit de Koningin werden naar het kamp Waalsdorp vervoerd. Twee bureaus en twee bureaustoelen uit de werkkamer van H.M. de Koningin werden naar Hilversum vervoerd. Hiervan zijn reeds twee bureaus, 1 bureaustoel en ongeveer 50 stoelen teruggevonden. Het radiotoestel van Zijne Koninklijke Hoogheid prins Bernhard en een ameublement zijn overgebracht naar Den Haag. Het 28-lamps radiotoestel is reeds teruggevonden. Veertien vloerkleden werden naar Arnhem overgebracht. Hiervan zal echter wel nooit iets van terug te vinden zijn.

1942 ----- 1 april tot september 1943.

Onder de leiding van Stabarzt Rüge heerst volkomen orde in het Paleis. De kleinste beschadigingen aan het Koninklijk bezit toegebracht, zowel door soldaten als officieren, wordt door hem streng gestraft.

1942 ----- 25 en 26 december, Kerstmis.

Het gehele personeel wordt op enkele dagen voor Kerstmis 's middags om 4 uur een Kerstfeest aangeboden waaraan het onmogelijk is te ontkomen omdat dit in werktijd werd gegeven. Het niet aanwezig zijn zou ontslag als gevolg hebben gehad. Door zijn uitgesproken niet-nationaalsocialistische houding wordt Dr. Rüge ten val gebracht. Nu breekt voor het Paleis een andere tijd aan. De nieuw benoemde chef arzt Dr. Kramer (Nationaal Socialist) krijgt een nieuwe Feldwebel (Nationaal Socialist) en een Oberschwester (N.S.). De kamers van Hare Majesteit de Koningin, die tot dit moment afgesloten zijn geweest, werden thans open gesteld en in gebruik genomen. De mentaliteit van de Duitse soldaten ging snel achteruit. Hierdoor waren we spoedig genoodzaakt meer personeel aan te stellen om de reparaties aan het meubilair en deuren in het gebouw te kunnen uitvoeren. Omdat ik in deze tijd over gegevens beschikte die mijns inziens zeer belangrijk waren zocht ik verbinding met de heer G.Rietberg, Barlheze, Zutphen. Bovengenoemde heer verzocht de heer O.Pruys, thans verbindingsofficier staf N.B.S. zich met mij in verbinding te stellen. De heer Pruys bezocht mij met de heer Nizo uit Oosterbeek en introduceerde tevens de Heer S.Dijkstra (Jan Niewoldt), lid van de K.P. Apeldoorn. Hiermee besprak ik alle bijzonderheden die voor hen van belang waren en verzocht ik hen mij in verbinding te brengen met die afdeling, die in staat was militaire gegevens voor Engeland over te brengen. Hij schakelde mij daarop in de groep van de Heer R.van Gerrevink. Door mij werden thans tekeningen vervaardigd van de munitiedepots Soeren bij Apeldoorn, Ellekom en het munitiedepots tussen Beekbergen en Woeste Hoeve. In mei 1944 verzocht ik de Heer Bestenbreurtje (Holl.Genie) mij in verbinding te brengen met een specialist op springstof gebied. Hij introduceerde daarop bij mij de Heer Jansen, Hoofdopzichter bij de Rijksgebouwendienst te Deventer, vroeger werkzaam bij de Genie. Hij maakte met mij een wandeling door het gehele Paleis. Hij deelde mij mee dat voor het volkomen vernietigen van het gehele gebouw minstens drie vrachtwagens springstof nodig zouden zijn. De volgende afspraak werd thans gemaakt. Iedere maandag zou de heer Jansen mij bezoeken en zodra er gevaar zou dreigen zouden mij 10 goed gewapende mensen ter beschikking worden gesteld. Daarmee zou ik zo mogelijk het Duitse springcommando buiten werking stellen. Deze 10 mannen zou ik in overleg met de Intendant onder brengen op de Koninklijke boerderij. Verder werden de volgende voorzorgsmaatregelen genomen. Door de Intendant werden mij bijlen, grote en kleine zagen, minimax brandblusapparaten ter beschikking gesteld. Deze goederen werden alle in mijn woning in het Paleis verborgen. Uit de magazijnen van de Duitsers liet ik pikhouwelen, brandhaken, breekijzers, vuurzwepen, zandhorren en emmers aanrukken en plaatsen op verschillende punten in het gebouw. Als lid van de plaatselijke O.D. besprak ik met de Heer Bleeker (Loolaan) dat zodra de Duitsers terugtrokken mij ongeveer 10 man ter beschikking zouden worden gesteld ter beveiliging van het Paleis en om diefstal van de zich daarin bevindende voorwerpen te voorkomen.
Daar de heer Jansen mij meedeelde ook gegevens naar Engeland te kunnen doorzenden werd door mij ook aan hem verzocht de tekeningen van de verschillende munitiedepots door te zenden. De Heer Dijkstra introduceerde bij mij de Heer K.Nieuwkamp, bekend onder de naam Oude Kees die mijn hulp inriep om hem van stafkaarten van de Provincie Gelderland te voorzien. Aangezien Jhr. van Suchtelen d/d Haare van het begin af op de hoogte van mijn illegaal werk was kon ik hierdoor zijn hulp inroepen en was ik in staat reeds dezelfde dag aan het verzoek van de Heer Nieuwkamp te voldoen.
Het Wehrmachtgenesungsheim wordt opgeheven en ingericht als Kriegslazarett. Oberstabarzt Kramer vertrekt en wordt vervangen door Stabarzt Klinge. De eerste Engelse soldaten worden ter verpleging opgenomen ongeveer 120. Vijf soldaten weten door middel van een brandslang te ontvluchten. Het totaal aantal patiënten stijgt tot 850.
De thans opgenomen patiënten behoren tot de totaal verwilderden. Gordijnen worden stuk gesneden om halsdoeken te maken. We vinden stoelen waarvan het leer van de zittingen is afgesneden en het geheel maakt een indruk van een verloren leger.
De eerste Engelse gewonden worden binnengebracht, dat wil zeggen men laat ze ongeveer 6 uur buiten liggen en helpt eerst de Duitse gewonden. Tegen de avond arriveert de Oberfeldarzt Sengeling. Die maakt aan deze onhoudbare toestand een einde. De Engelse gevangenen worden ondergebracht in de kamers van wijlen Hare Majesteit Koningin Emma, de Audiëntiezaal en de kamers van H.M. de Koningin.
Aangezien de gevangenen wel de beschikking over tabak hebben maar niet in het bezit zijn van pijpen doe ik moeite om deze te krijgen. Dat gelukt mij door hulp van de Heer Mouw (Kapelstraat). Verder contact is onmogelijk omdat ik mij niet in de afgesloten ruimten mag bevinden.
Waar de toestand thans de Engelsen zo dicht bij waren zeer verscherpt werd zien vele mensen zich genoodzaakt onder te duiken. In mijn woning in het Paleis duikt onder de Heer Jan Meyer (Asselsestraat Apeldoorn) en zeer begeerde prooi van de Sicherheits Dienst. Wij zijn zelfs genoodzaakt ook zijn vrouw een tijd op te nemen omdat de S.D. zijn zaak verbeurd verklaarde en men bang was voor represailles tegen zijn vrouw.
M.Stokhuyzen (Hoofdstraat 166 Apeldoorn) en Jan Polderman (2e Beukenlaan) zochten eveneens hun toevlucht bij mij en wel allen tot de bevrijding.

1944 ----- 2 oktober.

Grote razzia's hebben plaats. De Heer R.van Gerrevink ligt met vele anderen op hoeken van de straten. Ik sta thans voor de moeilijkheid onder te duiken en daarbij alles in de steek te laten of blijven met de kans ieder moment opgepakt te worden. Mijn vertrouwen in de Heer van Gerrevink, waar ik meermalen mee besproken had dat het Paleis voor alles ging deed mij besluiten te blijven. Achteraf bleek dit ook juist te zijn.

1944 ----- 3 oktober.

Op 3 oktober vinden velen een tijdelijke schuilplaats in het Paleis, zowel arbeiders van de tuin, boerderij, als particulieren.
In overleg met het Departement van Kunsten en Wetenschappen wordt besloten een gedeelte van de schilderijen, zich bevindende in het Aardhuis, over te brengen naar het Kasteel de Cannenburgh te Vaassen.

1944 ----- 4 december.

Wederom razzia's. Om 9.30 uur 's morgens krijg ik bericht dat ongeveer 10 mensen van de boerderij en tuinderij gepakt zijn en zich op de verzamelplaats Veenendaal op de Zwolseweg bevinden. Met de Heer Radstake begeef ik mij met een Rode Kruis wagen naar dit verzamelpunt en weten wij deze 10 mensen vrij te krijgen op de belofte dat wij 's middags om 3 uur 10 anderen zouden leveren. Daar wij er vanzelfsprekend niet over dachten dit te doen werden de Heer Radstake en ik om 3 uur onder gewapend geleide per Rode Kruis wagen naar de verzamelplaats gebracht. Het mocht ons echter gelukken vrij te komen. Het Paleis zelf bood in deze dagen onderdak en zelfs voedsel aan ongeveer 40 onderduikers. In mijn woning bevonden zich 's nachts ongeveer 20 man. Daaronder velen uit het personeel van de moestuin en boerderij.

1944 ----- 25/26 december Kerstmis.

Seiss Inquart viert Kerstmis met de gewonden in de grote eetzaal van het Koninklijk Paleis.

1945 ----- 11 april woensdag.

Algemeen overhaast vertrek van het Kriegslazarett naar Gouda. Iedereen sleept en draagt naar buiten om de wagens vol te laden. Dit laden vangt aan om ongeveer 5 uur en de laatste wagens vertrekken 's nachts om 2.30 uur. Men kan wel zeggen dat zij een algehele ruïne in het Paleis hebben achter gelaten. Alleen kon men niet spreken van moedwillige vernietiging zoals dit bij Duitsers gewoonte was. Deze zelfde nacht hebben ongeveer 40 terugtrekkende manschappen, dronken en wel, het Paleis betrokken. De volgende morgen vertrekken deze echter weer.

1945 ----- 12 april donderdag.

Op 12 april, ongeveer 12 uur, nemen Oberzahlmeister Schopps, Feldwebel Sommer en een verpleegster het beheer over het hospitaal op zich. Deze commissie neemt alle levensmiddelen, kolen, gereedschappen (keuken), bedden, dekens, linnen, porcelein, enzovoort in beslag en maakt een aanvang met het wegvoeren van deze goederen naar het Kriegslazarett St. Jozef (Deventerstraat) en het Gemeenteziekenhuis (Sprengenweg).

1945 ----- 13 april vrijdag.

De eerste granaten vallen in Apeldoorn. Al het personeel gaat naar huis zodat ik alleen met vorengenoemde Commissie in het Paleis achter blijf. 's Middags om 4 uur wordt het vervoer van goederen uit het Paleis stop gezet omdat de Anklaarseweg onder granaatvuur ligt. Thans hangt alles af van de samenwerking tussen Oberzahlmeister Schopps en mij hoe het Paleis onder de gevechten uit zal komen. Wij komen het volgende overeen. Geen enkele niet gewonde Duitse soldaat krijgt meer toegang tot het Paleis, gewonde soldaten alleen in uiterste noodzaak en dan wel ongewapend. Op alle wijze moet voorkomen worden dat terugtrekkende troepen het lazarett gebied passeren. Verder is Oberzahlmeister Schopps vanaf dit moment verantwoordelijk voor alle beschadigingen en vernielingen die in de tijd van zijn beheer zouden ontstaan. Op deze basis hebben wij 5 nachten en 4 dagen gewaakt en gewerkt om aan bovenstaande voorwaarden te kunnen voldoen. Verscheidene malen kwam het tot botsing met terugtrekkende troepen en waren het speciaal de politietroepen die moeilijkheden opleverden. 's Nachts trachten uitgeputte en vermoeide soldaten herhaaldelijk het Paleis binnen te dringen maar werden direct weer uit verwijderd. Door reeds deze voorzorgsmaatregelen is het mogelijk geweest het Paleis op dinsdagmorgen 17 april aan Luitenant Kolonel Britten over te geven met de mededeling dat er in en om het Paleis, behalve de Duitse Commissie, welke zich reeds in gevangenschap had overgegeven, geen Duitsers meer ophielden. En dat het gehele Paleis vrij was van tijdbommen of mijnen. Het mag een wonder heten dat het gebouw zonder inwendige vernielingen deze laatste oorlogsdagen is doorgekomen gezien het systeem wat door terugtrekkende Duitse troepen werd toegepast. De Commandant van het geschut dat bij de Koninklijke Boerderij was opgesteld kwam voor zijn vertrek nog bij mij op het Paleis met de mededeling dat hij nog over een goede partij granaten beschikte die hij speciaal voor het Paleis had gereserveerd. Door zijn overhaaste vertrek is het Paleis ook aan deze vernietiging ontkomen. Niet de minste hulp heb ik verder ontvangen van de plaatselijke O.D. Ook de heer Jansen uit Deventer had mij geen hulp gezonden, hetgeen achteraf onmogelijk bleek te zijn daar hij 14 dagen tevoren was doodgeschoten.

1945 ----- 16 april maandag.

's Maandags avonds 16 april om 10 uur bracht men het munitiedepot te Hoog Soeren tot ontploffing. Uit voorzorg waren alle ramen op haken gezet en bestond de glasschade van deze ontploffing alleen uit een gedeelte van de bovenlichten. Op een enkel raam na dat door granaatscherven werd getroffen heeft het Koninklijk Paleis van de gevechtshandelingen geen schade gehad.

1945 ----- 17 april dinsdag, BEVRIJDINGSDAG.

Om 8.30 uur meldde zich het mannelijk personeel van het Paleis bij de Portier en werden ze door mij voorzien van banden en gewapend met geweren, die ik van de Duitsers gestolen had, ter bewaking van het Paleis opgesteld.
Om 9 uur 16 werd de Hollandse driekleur gehesen.
10.15 uur Luitenant Kolonel Britten neemt de bewaking in het Paleis over en laat voor het Paleis en in het Park borden plaatsen waarop staat dat het aan ieder verboden is het Paleis te betreden of de gebouwen te beschadigen.
In de komende dagen wordt op last van Luitenant Kolonel Britten alle bedden, dekens, linnengoed, kleding, medicamenten, instrumenten enzovoort, eigendom van de Duitse Weermacht weggehaald.
Het Koninklijk Paleis is, wat het historisch gedeelte betreft, geheel behouden gebleven, wat de Oost- en Westvleugel betreft. Hier zijn alleen de badkamers omgebouwd.
Goederen: van het zilver is geen gram verloren gegaan. Alle waardevol porcelein is gered. Alle waardevolle schilderijen zijn behouden. Al het antiek meubilair en het grootste gedeelte van de vloerkleden en lopers zijn eveneens nog aanwezig, evenals alle kostbare klokken.
Over het linnen nog het volgende: 5 kisten met het meest waardevolle linnen zijn behouden. Van het overige linnen in de linnenkamers is het door de flinke houding van Mejuffrouw W.Hoeve en de medewerking van de firma Uit den Bogaard (Bouwhofweg Ugchelen) mogelijk geweest het paleislinnen onder het vuile wasgoed naar de wasserij te vervoeren. Daar werd dit in ijzeren vaten onder de grond begraven.
Dit rapport tracht in het kort een overzicht te geven over het bezettingstijdperk 1940-1945. Het ligt in mijn voornemen, zodra ik alle gegevens waarover ik nog kan beschikken heb verwerkt, een gedetailleerd verslag, gedocumenteerd door foto's en voorzien van cijfers betreffende de verbouwing gereed te maken.

 

Afdeling Spionage en sabotage

Juni 1941 - April 1942

-.-

Groep:
Jhr.Ir. W.Roëll, Houtvester. Gefusilleerd 29-8-1942
Hans Zomer
P.C.Wiessner, Koninklijk Park 1b, Apeldoorn
J.Meyer, Asselsestraat
G.P.Duuring, Gefusilleerd 31-7-1942
E.J.Damm, Gefusilleerd
K.Vermaat, Gefusilleerd 31-7-1942

Ondergetekende had reeds bij voorbaat afgesproken om bij iedere gelegenheid afbreuk aan de bezetter te doen, zodra daarvoor gelegenheid was.
Eind Juni 1941 's avonds ± 5 uur bezocht Jhr. Ir. W.G.Roëll mij en deelde mij mede dat er illegale arbeid te doen was en wel, spionage- en sabotagewerk.

Te zijnen huize had zich een jongeman gemeld, leeftijd ± 21 jaar die hem mededeelde in Drenthe te zijn afgeworpen. H21 jaar die hem mededeelde in Drenthe te zijn afgeworpen. Hij was gekleed in grijze broek, donker jasje en oude hoed. Zijn bagage bestond uit een koffertje, waarin een kleine zender 40-80 meter, en antenne-materiaal.

Hij verzocht Jhr. Roëll om zijn medewerking, het was de bedoeling een net van betrouwbare mensen over de Veluwe op te bouwen, waarbij hij dan door middel van zijn zender iedere dag op een afgesproken bepaalde tijd alle door de medewerkers verzamelde gegevens naar Engeland door zou geven.

Aangezien de Agent verder niets los wilde laten over zich zelf en geen enkel teken kon geven, waardoor het voor Jhr. Roëll vast stond met een betrouwbaar persoon te doen te hebben, rees de verdenking op een Duitse spion in huis te hebben, wiens bedoeling het was Jhr. Roëll buiten bedrijf te stellen.

Ons eerste werk was deze man te ondervragen, om zodoende zijn ware bedoelingen te doorgronden.

Ik verzocht eerst de zender te mogen zien en vertelde de Agent dat hij niet kon werken, omdat de zender kapot was. Na lang heen en weer praten kwamen wij te weten dat hij Adelborst was. Wij spraken toen het volgende af:

De volgende dag zou hij met Jhr. Roëll bij mij thuis komen, waar ik hem wilde laten testen door de Heer H.Haakman (Marine-officier), in die tijd werkzaam op het distributiebureau te Apeldoorn.

De Heer Haakman was direct voor dit testen te vinden en kon ons na ± 15 minuten gerust stellen en verzekerde ons dat de jonge man, volgens hem volkomen O.K. was. De Heer Haakman bood aan in de toekomst voor zijn distributiebescheiden te zorgen; er werd tevens zijn persoonsbewijs bij gekruisd, zodat deze aan iedere controle kon voldoen.

In de komende maanden kon ik steeds de distributiebescheiden bij de Heer Haakman afhalen. Verder werd van de hulp van de Heer Haakman geen gebruik gemaakt.

Nu werd door mij de Heer J.Meyer, Asselsestraat nr.24, Apeldoorn, meer bekend als amateur-zender P.A. O.M.U., verzocht zich bij de op te richten ploeg aan te sluiten.

De Heer Meyer repareerde de zender van de Agent, er werd besloten de eerste verbinding met Engeland tot stand te brengen vanuit het huis van Jhr. Roëll.

De groep werd verder aangevuld met Dr. Duuring, Damm en Kees Vermaat (radio-monteur werkzaam bij de Heer Meyer).

De Agent, die zo ons later bleek, Hans Zomer uit Arnhem te zijn, vertelde ons in Engeland opgeleid te zijn als telegrafist, verder technisch geen kennis van zenders te hebben en een zeer bijzondere zender te hebben, die niet gepeild kon worden.

Dit was voor de Heer Meyer en mij aanleiding om eerst een proefuitzending te houden. De Heren Meyer en Vermaat peilden van uit twee plaatsen de zender en stelden, zoals al wel gedacht was, direct de plaats van opstelling vast.

WAS HANS ZOMER VERKEERD VOORGELICHT OF WAS HET ZIJN VOLKOMEN ONBEKENDHEID MET RADIO?

Een en ander bleef voor ons een vraagstuk. Na enkele weken van werken werd bij het Paleis een peilwagen der bezetters waargenomen. Een officier meldde zich en vroeg ondergetekende te spreken.

Hij verklaarde dat er in het Paleis een geheime zender was opgesteld en dat ik, die ingeschreven stond als luisterpost van de 'VUKA' hiervan wel meer waist en beter de boel maar af kon geven, dan was alles in orde.

Ik verzekerde hem geen verstand van zenders te hebben, en het gehele paleis tot zijn beschikking stond om de zender te zoeken. Hij verzekerde mij dat ze mij in de gaten zouden houden en vertrok zonder in het paleis een onderzoek in te stellen.

Aangezien de peilwagen telkens weer opgemerkt werd, besloten wij de uitzendingen uit het huis van Jhr. Roëll direct te staken. Hans Zomer kreeg eerst onderdak bij de familie Damm.

Jhr. Roëll beraamde toen het plan Zomer over te brengen naar de kust. Als boodschapper trad toen op de tuinman van Jhr. Roëll.

Toen Hans Zomer vertrokken was, werd vanuit Apeldoorn steeds voor zijn distributiebescheiden gezorgd. Na zijn vertrek uit Apeldoorn heb ik Hans Zomer niet meer gezien.

Met Jhr. Roëll had ik dagelijks contact, daar Jhr. Roëll in Soestdijk bezig was goederen van waarde van het Koninklijk Huis in veiligheid te brengen en daar ik op het Loo dezelfde werkzaamheden verrichtte, pleegden wij daarover steeds overleg.

Enkele dagen voor de arrestatie van Jhr. Roëll hadden wij nog een bespreking, niet wetende wat ons boven het hoofd hing.

Toen er bericht kwam van arrestatie van Damm, During en Vermaat en daarop volgende arrestatie van Jhr. Roëll, zijn de Heer Meyer en ondergetekende enkele weken ondergedoken. Toen er na enkele weken niets gebeurde en geen verdere arrestaties volgden, hebben wij ons werk weer hervat.

Uit een en ander blijkt wel dat Jhr. Roëll een trouw vaderlander, een man zonder vrees of angst geweest is, die alles over had om de goede zaak te dienen.

Aan zijn moed om onze namen niet te noemen, hebben wij ons leven te danken en konden het reeds begonnen werk voortzetten.

Jhr. Roëll, de man die de naam van zijn oud geslacht zeer hoog heeft gehouden, die dikwijls zijn teleurstelling niet kon verbergen, dat alles wat gedaan werd om Engeland voor te lichten over de gebeurtenissen in Nederland, zelden resultaten te zien gaf, is een van de vele Nederlanders die vanaf het begin der bezetting overtuigd was van de ondergang van het Duitse Rijk.

Apeldoorn, 2 October 1951.

P.C.Wiessner,
Koninklijk Paleis,
Het Loo.