Apeldoornsche Bosch tekst Eléon de Haas 

ETHISCH DILEMMA

Driekwart jaar geleden vroeg Donald de Leeuw mij of ik – als nabestaande van een overlevende – een lezing zou willen geven tijdens de jaarlijkse herdenking van de slachtoffers van Het Apeldoornsche Bosch. Ik heb er niet lang over nagedacht om ‘ja’ te zeggen. Hiermee gaf ik me namelijk de opdracht me te verdiepen in de oorlogsjaren van mijn moeder, in het bijzonder in haar tijd als leerling-verpleegster in Het Apeldoornse Bosch. Naast datgene wat mijn moeder in het verleden aan haar kinderen heeft toevertrouwd, heb ik me voor deze lezing ook laten inspireren door het interview dat Suzette Wijers in 1997 met mijn moeder had in het kader van het project Survivors of the Shoah. Een initiatief van de Visual History Foundation, met als doel de oorlogservaringen van overlevenden van de Holocaust voor huidige en komende generaties vast te leggen. Ik heb gekozen om aan u het verhaal te vertellen van Coen en Lea, twee jonge mensen die tijdens hun verblijf in Het Apeldoornse Bosch werden geconfronteerd met een ethisch dilemma: een dilemma waarbij de vraag door mijn hoofd spookt “wat zou ik hebben gedaan?”. Hoewel mijn moeder Lea Leuiken in het begin van mijn verhaal de hoofdrol heeft, komt de focus uiteindelijk te liggen bij Coenraad Hoek.

Ik zal eerst de vraag beantwoorden: Wie was Lea Leuiken? Mijn moeder is in 1924 in Amsterdam geboren. Het gezin Leuiken woonde omwille van het werk van mijn opa in Antwerpen; hij was diamantslijper. Mijn oma had zoveel heimwee naar Amsterdam dat zij geregeld de familie daar bezocht. Lea zag tijdens een van die familiebezoeken het levenslicht. Het gezin Leuiken verhuisde in 1930 weer naar Amsterdam, waar haar moeder – Sara – in 1933 aan kanker overleed. Mijn moeder had toen haar eerste traumatische ervaring: zij mocht haar moeder niet aan het ziekbed bezoeken, omdat ze zo emotioneel reageerde. Zij kon dus geen afscheid nemen van haar moeder. Haar vader hertrouwde met Betty Lootsteen. Ze vestigden zich in Bussum waar Betje woonde. In maart 1940 kregen ze een zoon. Ze noemden hem Rudi Alexander. Enkele maanden later was Nederland bezet.

Op het moment dat de landing van de parachutisten waarvan mijn moeder ooggetuige was en die de overgave van Nederland inluidde, zei haar vader: “Dit gaat niet goed!” Leendert Leuiken had blijkbaar genoeg informatie om zich in mei 1940 te realiseren dat er een moeilijke tijd zou aanbreken voor Nederlanders met een joodse achtergrond. Het zinnetje ‘dit gaat niet goed’ gebruikte mijn moeder – verderop in het interview met Suzette Wijers – toen Het Apeldoornse Bosch ter sprake kwam. De waarschuwing van haar vader zette zich vast in haar hoofd vooral in relatie met de afnemende bewegingsvrijheid voor de joodse Nederlanders Toen Lea in 1941 de vierjarige MULO afrondde en zich wilde inschrijven voor de HBS werd zij als jodin geweigerd. Ze vertelde in het interview hoe vernederend dit voor haar was. Het was een meedogenloze afrekening met haar idealen. Ze moest geforceerd vroegtijdig afscheid nemen van haar jeugd.
Even iets over dat joods zijn. Hoewel haar vader en stiefmoeder een choepa (joodse bruiloft) hadden in de synagoge van Bussum, speelde het godsdienstig jodendom geen rol in de familie Leuiken. Men was er niet mee bezig en ging bij uitzondering wel eens naar de synagoge. Het leek wel of God voor mijn moeder niet aanwezig was in de jaren ‘40 – ‘45, en hoe wrang – voor haar pas weer terugkwam op het moment dat haar vader zich op 10 september 1947 beroofde van het leven.

Lea had – van haar stiefmoederskant – een tante die in Het Apeldoornse Bosch werd behandeld voor depressies. Ze bezocht haar regelmatig. Die tante Esther tipte haar over een vacature in Het Apeldoornse Bosch. De inrichting was intussen een vluchtoord geworden voor joodse jongeren die niet meer naar school konden en ook niet bij niet-joden mochten werken. Tevens zong het rond dat je in Het Apeldoornse Bosch door de bezetter met rust zou worden gelaten, en er was werk: niet –joodse werknemers mochten er niet meer werken. Lea werd als leerling-verpleegster aangenomen. Net zoals haar moeder in Antwerpen heimwee had naar Amsterdam, had mijn moeder in Het Apeldoornse Bosch aanvankelijk heimwee naar de vooroorlogse gezinssituatie. De turbulente verandering van de samenleving, het geforceerd afscheid nemen van haar jeugd en idealen, de berichten over familieleden in Amsterdam die op transport waren gesteld en de voorspelling van haar vader ‘dit gaat niet goed’, maakten haar ontheemd.

Maar toen gebeurde er iets: in plaats van moedeloos weg te zakken in een slachtofferrol, zette ze in Het Apeldoornse Bosch mentaal de knop om. Opeens manifesteerde ze zich als een zelfverzekerde jongedame die de regie over haar leven in handen nam. De reden voor deze plotselinge transformatie was een stormachtige liefde. Daar waar zoveel jongeren intern waren en leefden op een eilandje, ontstond- laat ik het zo uitdrukken – een rijk sociaal leven. Lea leerde Coenraad Hoek kennen. Coenraad – roepnaam Coen – was zes jaar ouder dan Lea. Hij was de tuinman van Het Apeldoornse Bosch en begeleidde patiënten – die om therapeutische redenen arbeid verrichtten – in de tuin en op het land. Mijn moeder beschreef Coen als een lange blonde jongen die bij de dames in de smaak viel. Ze voelde zich met Coen aan haar zijde de uitverkorene. Hij maakte corsages voor haar als ze samen de ‘feesten’ bezochten in Het Apeldoornse Bosch, en samen kochten ze tweedehands boeken bij een boekwinkel in Apeldoorn om ze daarna vanuit een standje in eetzaal door te verkopen. Op 8 januari 1943 vierden ze samen in de kelder Coens 25e verjaardag. Coen was haar grote jeugdliefde. En: Lea’s afhankelijkheid was intussen veranderd in zelfvertrouwen.

Het personeel van Het Apeldoornse Bosch kreeg bonnen die ingewisseld konden worden bij een kruidenier aan de Zutphensestraatweg. In januari 1943, lopend over de Zutphensestraatweg richting de kruidenier, zag zij een grote groep mannen in donkere kledij met een band om de arm met daarop de afkorting OD. Onmiddellijk ging door haar hoofd: ‘dit gaat niet goed’. Ze ging snel terug naar Het Apeldoornse Bosch. Daar bleek dat het ging om een ploeg van de Ordedienst uit Westerbork. Het waren joodse jongens die gingen helpen bij de ontruiming van de inrichting. Hiermee hoopten ze hun verblijf in Westerbork te rekken. Ondanks dat ze het vuile werk moesten gaan opknappen, toonde Lea  later begrip. Ze zegt in het interview: “Die joodse jongens konden er niets aan doen. Ik had medelijden met ze en heb ze daarom zoetigheid en zeep gegeven.” Er ontpopte zich een aandoenlijk sociaal bewogen mens, de Lea die ik ken. De lange blonde Coen liep tussen de jongens van de Ordedienst in de hoop informatie te krijgen. Zijn rijzige gestalte maakte waarschijnlijk indruk. Ze vertelden hem in vertrouwen dat Het Apeldoornse Bosch zou worden geruimd.

We maken nu even een klein zijstapje: omdat Coen op het ‘land’ werkte, had hij contact met de agrariërs uit de omgeving van Het Apeldoornse Bosch. Eén van die boeren leverde melk aan Het Apeldoornse Bosch en had aan hem onderduik aangeboden, als dat nodig zou zijn. Coen vertelde aan Lea dat haar vermoeden bewaarheid werd, namelijk dat Het Apeldoornse Bosch zou worden ontruimd. Er ontstond toen een verwikkeling die in mijn beleving niet onderdoet voor een Griekse tragedie. Twee zelfverzekerde jonge mensen kwamen voor een ethisch dilemma te staan: Gaan we mee met de patiënten – voor mijn moeder inclusief tante Esther – of vluchten we? Coen besloot om mee te gaan met de patiënten, maar Lea herinnerde zich het zinnetje van haar vader en besloot te vluchten. Dat het om een onvoorwaardelijke liefde ging bewijst het volgende: Coen informeerde de ‘melkboer’ dat een jonge dame zijn plaats zou innemen, zorgde dat een schuurtje voor tuingereedschap niet werd afgesloten en gaf Lea instructies. Zij moest alvast haar koffer pakken, die in het schuurtje zetten en via het schuurtje naar de boer vluchten.

Terwijl Lea met haar koffer in de hand de trap afkwam, gingen medeverpleegsters de trap op om hun koffers te pakken. Zij probeerden Lea over te halen om niet te vluchten. Haar antwoord was: “We zien elkaar wel weer, als ik word opgepakt.” Ze zette haar koffer vast in het schuurtje. Toen ze wat later via het schuurtje wilde vluchten, bleek de koffer te zijn verdwenen. Ze rende door de tuin in de richting van de boerderij, maar wist dat men haar gadesloeg. Tijdens die spurt verwachtte ze het genadeschot. Dat kwam niet.
De volgende dag nam ze twee levensreddende besluiten. Ze ging op tijd weg bij de boer – kort daarna vond er huiszoeking plaats – en besloot de bus te nemen naar Epe – Vaassen, om daar de trein te nemen naar familie in Hilversum. De logische keus voor het station in Apeldoorn zou haar noodlottig zijn geweest. Dat bleek een fuik waar een gedeelte van het gevluchte personeel werd ingerekend.

Een tante van Coen kont nog een Sperre (vrijstelling) voor hem krijgen, omdat Coen een niet-joodse moeder had. Maar toen zij op het perron in Apeldoorn arriveerde, kwam de trein met het transport– waarin hij zat – al in beweging. Even later passeerden twee treinen elkaar: in de ene zat mijn moeder en in de andere Coen. Voor de ramen hingen dekens met het monogram AB. Mijn moeder mocht zoals Lot niet omkijken: reizend zonder papieren, na zich te hebben ontdaan van de Davidster, was ze heel kwetsbaar. Coen werd op 1 april 1943 in Auschwitz vergast.

Coen en Lea stonden voor een verschrikkelijk  dilemma: meegaan met de patiënten of kiezen voor jezelf. Wat zou ik hebben gedaan? Wat zouden wij hebben gedaan? Aan Coenraad Hoek zijn mijn broer, zus en ik veel verschuldigd. Op het moment dat hij in het leven van mijn moeder verscheen, werd zij een zelfbewuste volwassen vrouw. Coen offerde zijn vluchtroute voor haar op. Het is mede daarom dat ik hier mag zijn. Coen was een mens die zichzelf wegcijferde en besloot om mee te gaan met de patiënten om samen het noodlot te delen. Het laatste levensteken was een briefje aan zijn familie: “Ben op weg naar onbekende bestemming.” Coenraad Hoek, voor mij ben je een held en ik heb je vandaag daarom uit de anonimiteit gehaald. Naast datgene wat je voor mijn moeder hebt gedaan en indirect voor haar nabestaanden, sta je voor mij symbool voor al die personeelsleden die een bovenmenselijk besluit namen, namelijk om zorg te blijven dragen voor hun patiënten. Daarom leg ik vandaag bij het herdenkingsmonument een tak met daaraan een wit lint met daarop jouw naam.