HERINNERINGEN BUITENHUIS

Na een paar jaar tuinonderhoud kreeg ik de kans om vast werk te krijgen bij Laag Buurlo. Eigenaar was de heer Wegener, directeur van De Nieuwe Apeldoornsche Courant (NAC), die omstreeks 1942 Laag Buurlo verkocht aan de heer Brunner. Laag Buurlo met de grote tuin en de boerderij met veel dieren betekende veel werk.
Tussendoor moest je ook de Duitsers in de gaten houden want in ’44 begonnen ze zo nu en dan een razzia te houden, waarbij menigeen opgepakt werd om in Duitsland te gaan werken. Ook bij ons stonden ze een keer ’s morgens om 6 uur voor de schuur. Ze hadden papieren bij zich waarop stond te lezen dat we om 9 uur met lepel en vork en een deken aan de Deventerstraat moesten staan.
Ik heb toen snel de anderen gewaarschuwd, want dat betekende dat je verder de hele dag kon slapen. Er waren toen nog vier onderduikers bij dus je moest voorzichtig wezen. We hadden al in een eerder stadium een goede schuilplaats gemaakt: je moest tussen hooibalen wel 9 meter op je knieën kruipen om in de hooikamer te komen.
Die dag, toen we ons om 9 uur moesten melden, waren om 9 uur alle dieren verzorgd en gingen we met 5 personen weer naar ons hooinest.
Van daar konden we door een boorgat van 4 cm de Duitsers op de Deventerstraat zien.
We hadden ook al eerder een razzia gehad, maar toen hadden we genoemde schuilplaats nog niet. Het kwam toen ook onverwacht. We werden gewaarschuwd vanuit de villa dat we weg moesten wezen.
Er was achter in de schuur een wc, ongeveer 1,50 m breed en 3 meter diep. Erboven was een zolder en ernaast twee varkenshokken.
Ikzelf en een onderduiker zijn met zijn tweeën op het zoldertje gaan liggen, wat te bereiken was via de varkenshokken. Toen de Duitsers in de schuur kwamen om te controleren en één van hen de wc-deur opendeed, kon ik de pet wel van de kop aftrekken.
Ik heb het maar niet gedaan want de onderduiker die naast mij lag, kreeg zowat een hartaanval.
In diezellfde tijd kreeg ik een oproep om me te melden voor werk in Duitsland. Ik kreeg extra bonnen en een treinkaart, maar ik moest eerst nog gekeurd worden.
Dat keuren was ook flauwekul. Zes hokken naast elkaar, waar geen voorkant in zit, daar moest je uitgekleed in gaan staan. De dokter kwam langs en bekeek je van voren, dan omdraaien om de achterkant te laten zien en klaar was Kees. Alle zes goedgekeurd. Van Vloten nam dit niet en ging naar de NSB burgemeester; deze werkte mee en ik kreeg een ‘Ausweis’ die geregeld verlengd moest worden.
Omstreeks diezelfde tijd begonnen ook de wapentransporten voor de Ondergrondse op gang te komen.
Deze wapens werden door de RAF gedropt in Vierhouten, op de heide bij Van Beuningen, en vandaar uit vervoerd naar verschillende plaatsen.
Op Buurlo hebben we ook verscheidene containers gehad, die waren gevuld met karabijnen, revolvers, vaatjes munitie, machinepistolen, springstof en handgranaten. Deze spullen werden vervoerd door een wagen die was gestolen van de Politieschool uit Schalkhaar.
We kregen op zaterdagmiddag een partij containers op Buurlo die werd gelost bij de grote schuur van Barmentloo. Terwijl we bezig waren de containers uit te laden stond er opeens een Duitse wagen achter de villa waaruit 3 Duitse militairen kwamen.
Eén militair keek onze kant op en daar waren we niet zo gelukkig mee. We hebben de deuren van de wagen dichtgedaan en de wagen is snel vertrokken.
Wij bleven met vier man achter en hebben, voorzien van wapens, gewacht tot de Duitsers weer vertrokken.
Naderhand kwam Van Vloten om te vertellen dat ze drie kamers gevorderd hadden voor drie Duitse verpleegsters die in het Kriegslazarett (Sint Joseph Stichting) werkten.
Omdat deze meisjes ’s avonds bezoek kregen van Duitse officieren werd het wel riskant met de aanvoer en distributie van wapens.
Maar Van Vloten ging naar de Oberführer van het Kriegslazarett om hem te vertellen dat de Duitsers mijn fiets hadden gestolen en wat niemand van ons verwachtte, hij kwam terug met de mededeling dat er borden geplaatst zouden worden bij de drie ingangen van Buurlo.
En binnen een week stonden er drie borden, keurig geschilderd, met paal compleet: ‘Zutritt verboten. Von Wehrmacht besetzt.’ Toen hadden we in ieder geval geen last meer van razzia’s en konden we een beetje geruster werken aan de verzending van wapens.
Deze werden op alle mogelijke manieren vervoerd, o.a. met een lijkwagen naar Deventer met papieren erbij dat de patiënt aan tyfus overleden was.
Ook kwam er op zondagmiddag een politiebusje met twee agenten die wapens kwamen ophalen om ze in Apeldoorn op het perron over te laden in de postwagen die was gekoppeld achter de Duitse trein. Toen de wagen bij ons vertrokken was, bleek dat de patroonhouders van de mitrailleurs achtergebleven waren. Ik heb ze in een jute zak achter op de fiets naar het station gebracht en het ging goed. Alleen twee verbaasde agenten, die net bezig waren om de spullen in de postwagen te laden.
De Duitse verpleegsters hielden ook fuifpartijen op de kamers met die Duitse officieren.
Dat ging een poosje goed totdat er een Rode Kruiswagen kwam om wat spullen af te geven voor de verpleegsters.
Toen deze zagen dat er op de kamers fuifpartijen werden gehouden was het meteen afgelopen.
Ook had je in de oorlog leveringsplicht van vee (koeien). Er was nog nooit geleverd want steeds kwam er wel wat tussen.
Meestal stonden er borden met aanplakbiljetten waarop stond: ‘Mond- en klauwzeer. Besmet terrein. Verboden toegang.’
Toen in het najaar de landing van parachutisten bij Arnhem kwam, werd de toestand nog erger. In het najaar van ’44, toen het eten zuinig begon te worden, kwamen veel mensen lopend en fietsend uit het westen op de Veluwe en in de Achterhoek. Op de bonnen kon je maar weinig krijgen.
Wij hebben op eigen bedrijf ook altijd zelf geslacht: schapen, varkens, kalveren. Het was een hele moeilijke tijd en een koude winter.
Via de ondergrondse werd meegedeeld om het de Duitsers zo moeilijk mogelijk te maken.
Er was besloten het de Duitsers zo moeilijk mogelijk te maken door de spoorlijn naar Deventer op te blazen. Wij konden het van Buurlo uit goed volgen.
Om drie uur ’s nachts ging de eerste spoorbaan eraan en om vijf uur de tweede.
Maar de spoorbaan werd weer gerepareerd.
Een poos later kwamen er op een zondagmorgen negen jachttoestellen over Buurlo die in een duikvlucht achter elkaar een trein aanvielen met boordwapens en kettingbommen. De trein bleef ter plekke staan en was uitgeteld. Elk van de negen jagers ging er twee keer overheen. Het was voor ons een fantastisch gezicht.
Op een keer op een middag in de week kwamen 22 Duitse soldaten met ongeveer 20 paarden die werden gezien door twee Engelse jagers; die vielen de groep aan. De soldaten lieten de paarden lopen en maakten dat ze wegkwamen.
Wij hebben toen twee paarden gevangen en op de Braamweg in de weide gedaan.
Hopende dat de Duitsers die dieren niet zouden vinden, maar later tegen de avond hebben ze de hele buurt afgezocht en ook de paarden weer gevonden. Jammeer maar niets aan te doen.
Ook hebben we in dat najaar twee bommenwerpers van de RAF gezien die door de luchtafweer van de Duitsers geraakt werden. De bemanning sprong van de machine achter Buurlo. Deze mensen werden door de Duitsers gevangengenomen.
Bij de grote aanvallen op Duitse steden kwamen er op een dag 900 bommenwerpers over plus begeleidende jagers. Daar werd je toen wel even stil van.
In het Kriegslazarett aan de Deventerstraat waren ook Engelse piloten opgenomen. Als ze weer aan de beterende hand waren moesten ze onder begeleiding van twee Duitse soldaten lopen van het Lazarett via de Sprenkelaarsdijk en Deventerstraat weer naar het Lazarett. Als ze dan over de Sprenkelaarsdijk kwamen stonden wij ze op te wachten om ze goedemorgen te wensen. Ze vonden dat prachtig, alleen de Duitsers vonden het niet leuk, dat was goed te zien.
Toen de winter van ’44 ten einde liep kwamen ook de Canadezen steeds dichterbij.
Op 13 april 1945 kwamen er ’s middags nog 15 Duitsers met pantservuisten bij ons door het bos. Ze liepen richting Deventer, maar kwamen na een halfuur alweer terug en gingen richting Apeldoorn.
Toen we ’s avonds in de keuken zaten zag ik drie Duitse soldaten over het fietspad richting Deventer lopen. Toen ze aan ze aan het eind van het bos kwamen hoorde ik geweervuur, ze maakten rechtsomkeert en gingen er als een haas vandoor richting Apeldoorn. Toen zagen we dat er tegenover Kruitbos in een droge sloot een hele rij Canadezen zat.
Ze bleven nog een halfuur zitten. Tegen zes uur kwam het hele front in beweging.
Aan weerszijden van het fietspad kwamen tanks aanrijden die meteen het fietspad in brokken achterlieten.
Toen ze midden voor Buurlo kwamen gingen we naar de straat en de hele colonne stopte.
Het was een heel legerkorps.
Van Vloten kon goed Engels en onderhield zich met de commandant.
Daarop kwamen de Canadezen allemaal op Buurlo. In korte tijd stond alles op Buurlo, vrachtwagens, rupsvoertuigen en ander oorlogsmaterieel.
Nog geen halfuur na de komst van de Canadezen hadden ze al drie Duitsers op de stoep staan, die hadden ze bij Bornebroek, drie huizen verder, gevangengenomen. Ze werden op de stoep ontdaan van horloges en andere dingen die waarde hadden en daarna afgevoerd als krijgsgevangene.
Daarna was alles betrekkelijk rustig. Later op de avond werd er overlegd hoe de strijd moest verlopen. De Duitsers hadden op de Deventerstraat een Canadese tank in brand geschoten, dus de commandant moest weten waar de Duitsers zich ophielden. Dus er moest ’s nachts een patrouille op pad, maar die mocht niet vertrekken voor 12 uur ’s nachts.
Het was namelijk vrijdag 13 april en de commandant was nogal bijgelovig.
Er was afgesproken dat er 3 Canadezen en 2 Hollanders na 12 uur zouden vetrekken om na te gaan waar de Duitsers zaten.
De zoon van Van Vloten en iemand van de ondergrondse zouden de Canadezen begeleiden omdat die de omgeving kenden. Toen het 12 uur was en ze zouden vertrekken was de man van de ondergrondse nergens te vinden. Ik heb toen die plaats ingenomen en ’s nachts na 12 uur gingen we met zijn vijven op pad met ieder een stengun onder de arm met 28 patronen in de houder.
Wij gingen niet over de Deventerstraat maar via de Sprenkelaarsdijk door de weilanden richting De Tol, dat is de kruising Deventerstraat Zutphensestraat.
Het is wel een opgave om ’s nachts door weiland met prikkeldraad en sloten een richting te bepalen, vooral omdat alles verduisterd is.
Als je dan in de buurt van huizen komt loop je ook nog eens tegen waslijnen aan.
Het lukte ons om tussen de huizen te komen bij de Doggersbank. Toen we daar tussen twee huizen waren zagen we aan de zijkant een raam naast de deur. Door het raam kon je een sleet licht zien. We tikten tegen het raam en even later kwam er een man die opendeed. Wij gingen met ons vijven naar binnen en vroegen hem om inlichtingen. Die wilde hij niet geven want hij geloofde niet dat het werkelijk Canadezen waren. Hij gaf als reden op dat er vlak voor ons drie Duitse soldaten waren geweest om water te halen.
Maar door te praten kwamen we toch te weten dat er Duitse soldaten aan de Doggersbank zaten. Dus gingen we weer naar buiten waar het pikdonker was. Om aan het donker te wennen gingen we op een rij tegen de muur staan naast de zijdeur.
Toen we daar stonden hoorden we Duits praten. Tegenover ons stond een ligusterheg en aan de andere kant van de heg zaten de Duitsers, waarvan er één stond te wateren. Tot overmaat van ramp kwam er een vliegtuig over dat een lichtkogel uitwierp, en wij vijven stonden met ons vijven in het licht tegen de muur. Er waren toen vijf stenguns op de heg gericht en het was doodstil geworden aan de andere kant. Het was hooguit 4 meter van ons vandaan. De lichtkogel brandde gelukkig niet lang. Na nog even gewacht te hebben besloten we toch om daar maar te vertrekken. We gingen achter elkaar de hoek van het huis om. En dat is gelukt. Er was afgesproken dat er niet geschoten zou worden, alleen in noodgevallen.
Wij gingen stuk voor stuk naar de dikke eikenbomen aan de Deventerstraat en toen weer op weg naar Buurlo. We wisten toen waar de Duitsers zaten.
Die nachtelijke patrouille heeft ongeveer drie uur geduurd. Daarna hebben we nog een paar uur geslapen.
’s Morgens moest je er weer vroeg uit want er moesten koeien gemolken worden en alle andere dieren moesten verzorgd worden.
Door de komst van de Canadezen kon het andere personeel uit Apeldoorn Buurlo niet meer bereiken.
Ik was daar toen inwonend en moest toen samen met de zoon van Van Vloten de veestapel verzorgen.
Daar kwam nog bij dat het allemaal vol stond met jeeps, vrachtwagens en rupsvoertuigen.
De tanks hadden ze aan weerszijden van de Deventerstraat op de fietspaden opgesteld.
Het was een machtig gezicht om na vijf jaar ellende een heel legerkorps op en rond Buurlo te zien.
Er werden ook foto’s gemaakt, maar de fototoestellen compleet met foto’s plus horloges waren na de bevrijding allemaal verdwenen.
De zaterdagmorgen verliep rustig, maar tegen de middag begon het schieten, eerst met lichte wapens.
Direct na de middag ging ik met een kruiwagen voor naar het hertenpark. Toen ik terugkwam vloog de bietenkuil van Barmentloo de lucht in op ongeveer 40 meter afstand.
Toen ik bij de villa kwam heb ik hem naast het huis gezet voor het raam van de verwarmingskelder, niet wetend dat ik hem voor het laatst gebruikt had. Ik ben via de achterdeur naar binnen gegaan, door de keuken naar de eetkamer. Toen ik daar kwam hoorde ik een geweldige klap. Een zwaar projectiel was ingeslagen door het plafond van de serre. Daarna ging hij door mijn bed waarop twee Canadezen zaten, waaronder de commandant van het legerkorps. Deze mannen zijn daarbij gesneuveld.
De granaat ging daarna door vier dubbele platen van de verwarming, daarna door de muur en toen buiten de grond in. Vermoedelijk is de granaat niet goed geweest want als die toen ontploft was, was er van Buurlo niet veel overgebleven om van al de mensen naar niet te spreken.

(Ik heb na de bevrijding het gat buiten de muur uitgegraven en vond het projectiel in drie stukken in de grond. Aan één van de stukken zat een lap van het uniform van de Canadezen. Het was een stuk van de broek met de voorzak die militairen hebben. Het zware voorstuk van de granaat staat nu nog bij mij thuis).

Buitenhuis met resten van de granaat

Ik zag de ravage vanuit de eetkamer. De Canadezen begonnen meteen om de slachtoffers weg te halen. Daarna hebben wij de puinrommel opgeruimd. Wat ik toen gezien heb is met geen pen te beschrijven. Zoiets vergeet je je hele leven niet.
Met deze beschieting bleek wel dat we in de vuurlinie lagen. We gingen allemaal naar de kelders. Het waren meest Canadezen, ongeveer 30, en wij waren met 12 personen. We waren nog maar even in de kelder of daar sloeg een granaat tegen de muur. Een heel stuk van de muur ging in puin en kwam achter ons terecht. Na de slag van de granaat hoorde je niets meer; iedereen was verdoofd door de knal.
Na enkele ogenblikken kwam iedereen weer bij zijn positieven. De kelder was vol stof en gruis. Toen lanzgaam het zicht beter werd, kon je zo naar buiten kijken. Er was een groot stuk uit de muur geslagen. Het mag een Godswonder heten dat van al deze mensen, burgers en militairen, er maar één was die een schrammetje op zijn neus had.
Hierna ging iedereen naar boven. Daar werd toen besloten dat wij naar de St Joseph Stichting zouden gaan. De Canadezen namen ons mee in rupsvoertuigen. Wij werden in een gebouw gebracht waar ook de gewonden biinenkwamen.
In de hoek van het gebouw was een operatietafel. Ik heb gezien dat er van een jonge Duitse soldaat (volgens de Canadese arts 15 jaar) de broek werd doorgeknipt waarna het onderste deel compleet met voet en stuk been op de grond viel.
De Canadezen van het Rode Kruis die de gewonden bij de loopgraven weghaalden hadden kruiken met rum waar ze elke keer als ze weer teruggingen een flinke slok uit dronken.
In de namiddag moesten wij met ons tweeën weer naar Buurlo om te melken en te voeren. We werden met een jeep gebracht en na een paar uur weer opgehaald. Het vee stond toen op stal en achter de veeschuur stond geschut van de Canadezen dat de Duitsers onder vuur nam. Ook werden na de beschieting van Barmentloo, door de Canadezen twee kanonnen aangevoerd. De eerste werd bij Barmentloo aan de Sprenkelaarsdijk achter het melkhok neergezet. Ik ben ernaartoe gegaan; bij het eerste schot kwamen de pannen van de boerderij naar beneden. De kanonnier had watten in zijn oren vanwege de luchtdruk. Aan de overkant van de Sprenkelaarsdijk kwam een gat in de grond waar je wel twee paarden in kon begraven.
De meeste projectielen kwamen in de toren van de Julianakerk terecht en een paar in de buurt van het slachthuis.
Zaterdagavond werd het wat rustiger. Alleen hoorde je zo nu en dan het fluiten van kogels, karabijn of mitrailleur.
’s Nachts sliepen we op de St Joseph Stichting. ’s Avonds zaten we bij de Canadezen en rookten we de eerste Engelse sigaretten in vijf jaar. Dat was wel iets anders dan eigen bouw tabak.

De zondag en maandag bleven betrekkelijk rustig. Voor ons was het ’s morgens en ’s avonds melken en voeren, want de beesten moesten toch verzorgd worden.
Maandag konden we weer naar Buurlo. De Canadezen waren uit de villa vertrokken. Toen we daar weer in huis kwamen was het ook een grote bende. De zijmuur bij de kelder, waar die granaat tegen aansloeg, was een stuk weggeslagen. In de serre waar die granaat was ingeslagen, was het ook een rommel en dan niet te spreken van het in- en uitlopen van tientallen militairen.

17 april trokken de Canadezen Apeldoorn binnen. De Deventerbrug over het kanaal was vernield. De Canadezen hadden een noodbrug bij zich; die stond al een paar dagen op vrachtwagens bij de Stichting.
13 april waren ze op Buurlo aangekomen, 17 april trokken ze Apeldoorn binnen.

Na dit laatste verhaal stop ik voorlopig met deze herinneringen.