Jodenvervolging

Toen de Duitsers in mei 1940 ons land binnenvielen, voelden de Nederlandse joden én de joodse vluchtelingen uit Duitsland zich bedreigd. Terecht, want alle Duitse maatregelen werden geleidelijk ook in ons land van kracht, zoals het ontslag van joodse ambtenaren en leraren in november 1940. Het geweld tegen de joden begon hier in oktober 1941 na een vechtpartij in Amsterdam waarbij een N.S.B.'er om het leven kwam. Honderden joden werden opgepakt en gedeporteerd naar Mauthausen, waar de meesten binnen enkele maanden stierven.
De gettovorming begon in 1942 en vanaf 3 mei 1942 moesten alle joden een ster dragen. In juli 1942 was het eerste transport van joden naar Auschwitz. Die transporten, meestal via Westerbork, duurden tot september 1944. 
Van de 140.000 joden die Nederland telde, zijn er in de oorlog 106.000 vermoord.

Apeldoorn
In Apeldoorn was het niet anders dan in de rest van Nederland. Op 22 november 1940 werd de leraar Frans van de Koninklijke H.B.S. en het gymnasium, dr. J.S. Wijler, ontslagen, omdat hij jood was. (Zie Gedenksteen familie Wijler)

In de nacht van 1 op 2 augustus 1941 staken N.S.B.’ers de Apeldoornse synagoge aan de Paslaan in brand. (Zie Muurreliëfs synagoge )
De eerste dertien joden werden opgepakt in oktober 1941; ook de plaatselijke politie was bij deze operatie betrokken.  De dertien jonge mannen gingen op transport naar Mauthausen; binnen een maand waren ze allemaal dood. (Zie Holocaustmonument synagoge)

Vanaf de tweede helft van 1942 volgden meer arrestaties door een 'jodenploeg' onder leiding van een commissaris van politie. In minder dan een jaar tijd haalde deze ploeg ongeveer 200 joden uit hun huizen of van hun onderduikadres. Niet zelden waren de joden door Nederlanders aangegeven. (Zie Gedenkzuil joodse begraafplaats)

De nazi's lieten de joodse inrichting voor geesteszieken ‘Het Apeldoornsche Bosch’ echter met rust. Tot 22  januari 1943. Op die dag werd de inrichting in een langdurige, gruwelijke operatie ontruimd. Ongeveer 1300 mensen, verpleegden en een deel van het personeel gingen meteen op transport naar de vernietigingskampen. De rest van het personeel en de laatste andere joodse burgers werden naar Westerbork gebracht en vandaar naar diezelfde kampen. (Zie Monument slachtoffers Het Apeldoornsche Bosch)

Monumenten
Gedenkzuil joodse begraafplaats
Gedenksteen familie Wijler
Muurreliëfs synagoge Paslaan
Holocaustmonument synagoge Paslaan
Monument slachtoffers Het Apeldoornsche Bosch
Wandreliëf Groot Schuylenburg

Jodenster

Voor Joden verboden

Het verscholen dorp

In de Soerelse bossen bij Vierhouten was in de oorlog een groot kamp ontstaan om onderduikers te verstoppen. Vanaf april 1943 werden er hutten gebouwd in de dichte bossen. Op het laatst waren er 9 hutten, daarin woonden ongeveer 80 onderduikers. Dat waren vooral joden; ook enkele Amerikaanse en Engelse piloten hebben er een tijd gewoond. Dit kamp kreeg de naam 'Pas Op'-kamp.

Al deze mensen moesten eten en drinken hebben, ook kleding, kachels, potten en speelgoed voor de kinderen. Daarvoor zorgden vele mensen. Maar het waren vooral Opa Bakker en Tante Cor die zeer veel voor de onderduikers hebben gedaan. Een tandarts en een dokter kwamen regelmatig in het kamp om zieken te verzorgen. Ernstig zieken werden in het geheim naar een ziekenhuis vervoerd.

"Ik moest eens een onderduikster naar ziekenhuis Salem in Ermelo brengen. De patiënte moest geopereerd worden. Die rit moest natuurlijk zo onopvallend mogelijk plaatsvinden. Een ziekenauto in het bos zou direct opvallen. Helpers brachten de zieke op een brancard vanuit het kamp naar de Eperweg, daarna snel in de ziekenauto en ik mee als begeleidster. Ik had een sjaal om mijn hoofd gebonden. ‘k Leek precies op een zuster. In Ermelo weren we nog gecontroleerd, het ging goed."

De hele dag was er werk te doen in het kamp: eten koken, hout hakken, wol spinnen, studeren, paddestoelen zoeken en bosbessen plukken. Om in conditie te blijven leefden sommigen zich uit aan de rekstok. ’s Avonds werden er vaak spelletjes gedaan en beschilderde men plankjes met bloemen en vogels.

"Er was ook een Rus, een bijzonder aardige man. Hij kon heel goed houtsnijwerk maken. Met behulp van een plankje en een aardappelschilmesje wist hij de leukste dingen te maken. Bij een verjaardag kreeg de jarige vaak een mooi stukje ‘hutvlijt’ van Russische volkskunst. Ook maakten we appelmoes en bakten we pannenkoeken. Mijn man gaf de jarige een onderbroek. Daar waren ze bijzonder blij mee."

Veel onderduikers hadden spannende momenten beleefd en waren op het nippertje ontsnapt. Lenie Duyzend, een jodin uit Amsterdam vertelt:

"Toen de joden werden weggevoerd ben ik ondergedoken. De eerste nacht sliep ik in een ondergrondse hut, daarna in een voorraadkast, ik kon mijn benen niet eens strekken. Er werd een razzia gehouden en ik vluchtte het korenveld in. Daar bleef ik een paar dagen. De fietsenmaker bracht me brood. In een vrachtwagen, tussen de wasmanden, kwam ik bij de Soerelse bossen. ‘k Had geen flauw idee waar ik terecht zou komen. Het was een prachtige wandeling door het bos. De paadjes werden steeds smaller. Opeens stond ik voor een hut oog in oog met andere joden. De eerste nachten sliep ik als een roos. Ik studeerde ook in het kamp, de kampleiding zorgde voor studieboeken. Opa Bakker en Tante Cor, die regelmatig op bezoek kwamen, vertelden ons het nieuws dat ze op Radio Oranje hoorden. Ongelooflijk wat die mensen voor ons gedaan hebben. Terwijl veel mensen honger leden, kregen wij dag in, dag uit een heerlijke maaltijd voorgeschoteld."

Op zondag 29 oktober 1944 werd het 'Pas Op'- kamp door twee Duitse soldaten ontdekt. Sommigen zeggen dat ze aan het jagen waren, anderen beweren dat ze op patrouille waren. Ze vertelden: "We hoorden mensen hout hakken en dat vonden we zeer verdacht. We gingen op zoek en kregen een jongen van ongeveer 15 jaar te pakken, die zei dat daar in de buurt onderduikers in holen en hutten leefden. We schoten enkele keren en riepen: 'Kommen Sie heraus!' .Toen besloten we onze commandant in te lichten."

Door het geschiet en geschreeuw konden de onderduikers (op dat moment 87) vluchten. De meeste overleefden de oorlog. Met handgranaten werden de hutten kapot gemaakt. Nu staan in de bossen bij Vierhouten enkele nagebouwde hutten. Zij geven een indruk van wat er zich in de oorlogsjaren heeft afgespeeld.

(Bron: A. Visser 'Het verscholen dorp')

Het verhaal van een joods meisje

"Op vrijdagmorgen, 10 mei 1940, stond ik op en ging naar beneden. Het was de dag dat de oorlog begon. Ik zat op de middelbare school. Ik woonde in Amsterdam en we waren joods. De jodenvervolging begon met kleine plagerijen. We mochten niet in het park wandelen en niet met de trein reizen. En we mochten later alleen op bepaalde uren boodschappen doen.

In 1941 werd mijn school gezuiverd van de joden. Dat betekende dat wij, joden, naar een aparte school moesten. Een jaar later, ik was toen 16 jaar, kregen alle joodse kinderen vanaf die leeftijd een werkoproep. Eerst geloofde je nog dat het om een werkkamp ging. Niemand wist dat je in die kampen vermoord werd.
Daar denk je toch niet aan?

Elke week zaten er minder kinderen in mijn klas. Ze waren meegenomen door de Duitsers, of ze waren ondergedoken. De angst was enorm groot. Ik ben ook ondergedoken. Telkens moest ik weer weg, zo heb ik op wel 15 adressen gezeten.

Ik ben toch opgepakt en kwam in het concentratiekamp Auschwitz terecht. Hoe dat was, daar kan ik niet over praten. Ik moest daar werken in een fabriek om sneeuwkettingen te maken. Onze ploeg bestond uit 13 vrouwen, we hielpen elkaar waar mogelijk was en spraken elkaar moed in. Op een dag hoorden we dat Nederland bevrijd was! Ik geloofde het niet, maar het was waar. In drie weken ben ik teruggelopen naar Nederland.
Ik had het kamp overleefd. Maar mijn vader, moeder en zusjes heb ik nooit meer gezien. Zij zijn vermoord net als zes miljoen andere joden."

Monumentenkaart

Via onderstaande button bekijk je de kaart met alle Apeldoornse monumenten.

Adopteer een monument

Op de website van het nationaal Comité 4 en 5 mei is alle informatie over het adopteren van oorlogsmonumenten te vinden.