Stadsvertelling

De nieuwe eeuw begint mooi voor de familie Borgers in Amsterdam als op 21 mei 1900 hun zoon Paulus Hermanus geboren wordt.De jongen heeft een goed stel hersens meegekregen en haalt in 1917 zijn HBS-diploma. Hij vervolgt zijn weg in het bankwezen. Een veelbelovende carrière ligt voor deze jongeman in het verschiet, ware het niet dat diep in hem een ander verlangen sterker en sterker wordt.
Gesprekken met de Evangelisch-Lutherse predikant P. Groote, doen Borgers besluiten dat ook hij dominee wil worden. Na z’n werkdag op de bank, wijdt hij zich in de avonduren aan de studie theologie.
Weliswaar moet hij zich daarvoor eerst nog de talen Grieks en Latijn eigen maken, maar hij weet die worsteling te volbrengen.

In 1927 begint dan zijn predikantschap: hij neemt het beroep aan van de Evangelisch-Lutherse Gemeente te Monnickendam. Daarna volgen Den Helder en Rotterdam alvorens hij op 11 juni 1935 het beroep aanneemt van de gecombineerde Evangelisch-Lutherse Gemeenten van Apeldoorn en Doesburg. De ene week gaat hij voor in Apeldoorn, de andere week in Doesburg. En doordeweeks is hij altijd op dinsdag in Doesburg.
Wonend met zijn vrouw Wilhelmina van Berk en Paul jr. in Apeldoorn toch een aardig fietstochtje, maar dominee vindt dat geen bezwaar.

Borgers laat zich al gauw kennen als een dominee die zijn horizon graag breed houdt; altijd betrokken op wat er in de wereld gebeurt en voortdurend nadenkend over hoe je daar als christen in staat.
‘Mijns inziens moet het Evangelie verkondigd worden, ten volle rekening houdend met den tijd waarin wij leven. Men zal / het Evangelie predikend als kind van zijn tijd / er niet aan kunnen ontkomen.’

Wanneer in mei 1940 Duitse soldaten ook Nederland binnenvallen, spreekt Borgers vanaf de kansel klare taal:
‘Ziet toe, dat niemand u misleide”.
Het weerhoudt Borgers er niet van om in het ziekenhuis niet enkel Hollandse gewonden te bezoeken, maar ook Duitse en met hen te spreken.

17 september 1943 –
De Synodale Commissie van de Evangelisch-Lutherse Kerk heeft een conferentie belegd met afgevaardigden van vele Lutherse gemeenten. Borgers steekt niet onder stoelen of banken dat hij zich er mateloos aan ergert dat de Synodale Commissie tot op heden nog geen krachtig protest heeft laten horen tegen de Duitse maatregelen aangaande de Joden. Het wordt hoog tijd, betoogt Borgers, dat de Commissie haar beleid in overeenstemming brengt met de geest die leeft in de gemeenten.
‘Wat helpt het om bij de Duitse bezetter te protesteren?’ opperen sommigen, ‘De Jodentransporten worden toch niet gestaakt.’ Borgers antwoordt:
“Naar mijn gevoelen heeft dit protest, zoal niet voor de Joden, dan toch voor de kerk nut gehad. De kerk heeft haar stem dan doen horen tegen gruwelijk onrecht. Zij heeft gesproken daar waar zwijgen verloochenen was.”
Anderen menen dat sterke bemoeienis van de kerk met daden van de overheid tegen de geest van Luther is. Borgers dient hen krachtig van repliek:
‘Zou dit niet de geest van Luther zijn, welnu, dan richten wij ons in dit geval niet naar Luther.’

Zondag 21 mei 1944,
Paulus Hermanus Borgers wordt 44 jaar. Deze morgen preekt hij over ‘bidden.’
“Ik hoorde van een dominee die zei: ‘Ik bid maar niet voor de joden. God weet dat immers toch wel, hoe ik erover denk. Dat hoeven wij niet te zeggen.’ Zeker, dat is in ieder geval veiliger, maar die dominee is een lafbek.”

Zondag 1 oktober 1944,
de oorlogsellende in het nabij gelegen Arnhem komt duidelijk naar voren in de preek.
“Een golf van oorlogsellende is in de afgelopen week geslagen over de inwoners van de zoo nabijgelegen en ons zo goed bekende schoone stad Arnhem. Wij hebben hen zien komen: de van huis en haard verdreven burgers, die alles moesten achterlaten, al hun bezittingen, hun goederen, kostbaarheden en dingen waaraan zooveel dierbare herinneringen verbonden zijn, behalve dan wat zij als luttele handbagage konden meedragen.Wat achterbleef is ten prooi van roovende onverlaten, wellicht prijsgegeven aan algehele verwoesting. Er zullen dezulken ook in ons midden aanwezig zijn. Wij hebben gezien: de zieken, de gewonden, de ouden van dagen, de stumpers in de noodziekenhuizen. Wij hebben bejaarde ouders de doodstijding van hun dochter in Oosterbeek moeten brengen. Wat een ellende. Wat een smart stond er te lezen op de vertrokken, verbeten gezichten der ineengedokenen op bakfietsen en karren. Welk een beeld van smartelijke ellende boden die opgeladen boerenwagens. Een hel was het, zoo hoorde ik enkele vluchtelingen die dagen in een kelder hadden gezeten, de toestand beschrijven.
En God…? Want de geloovige mensch betrekt God in dit gebeuren. En God…? God ziet het. En Hij overziet het alles. Hij ziet en peilt de zee van ‘bloed en tranen’, die poel van ellende. Hij hoort het koor van klachten.”

Zondag 8 oktober 1944,
nadat op 2 oktober bekende Apeldoorners die in de ondergrondse zaten waren vermoord en hun lichamen op straat gelegd met een bord ‘terrorist’ op de borst, preekt Borgers naar aanleiding van de evangelietekst (Joh.15,13):
“Niemand heeft grooter liefde dan die zijn leven laat voor zijn vrienden.”
Borgers zegt in zijn preek:
“In een wereld die davert van krijgsrumoer worden wij geroepen om met elkander het Heilig Avondmaal te vieren. Terwijl de wereld vervuld is van haat, predikt deze gewijde maaltijd ons -woordloos- de hoogste liefde. Het kan wel niet anders of wie zich ernstig heeft voorbereid op dezen maaltijd, heeft in meerdere of mindere mate het conflict beleefd tusschen de gevoelens, die bij hem werden gewekt door het wreede  en vreeselijke mensch-onteerende schouwspel, dat in den aanvang van deze week werd gezien en de gevoelens, welke de maaltijd, tot welken wij nu samengeroepen werden, bij ons behoort te wekken!Gij begrijpt wat ik bedoel. Ik denk aan de ‘lijkententoonstelling’, die men op den openbare weg voor volwassenen en kinderen heeft georganiseerd. Dat een ter plaatse gedoode eenigen tijd op die plek gelaten wordt, is op zichzelf vreeselijk, maar wanneer men gedoode menschen opzettelijk tentoonspreidt, dan spreekt daaruit een gezindheid, die men slechts met den naam ‘duivelachtig’ kan qualificeren…‘Niemand heeft grooter liefde dan die zijn leven laat voor zijn vrienden.’ De menschen wier lijken deze week tentoongesteld werden, hebben een offer gebracht. Een offer voor hun vrienden. Dat woord van Jezus Christus geeft de levenswaarheid weer, welke wij ons heden voor ogen stellen!”
Klare taal spreekt Borgers in deze zelfde preek als het gaat om wat je als christen nu toch aan moet met de vergeving…
“Natuurlijk… wil ons hart waarlijk liefde kennen, dan moeten wij ook vergeven! Maar het wil niet zeggen dat wij den duivel vergeven moeten! Den duivel vergeeft men niet. Dien bestrijdt men! …En nu kunt U er anders over denken, maar ik zie het zoo: Ik blijf met alle kracht en alle felheid die in mij is, protesteren tegen hen, die het walgelijke deden. Ik blijf ook als Christen een rechtvaardige straf eischen voor deze boosdoeners. Dat strijdt niet met het Avondmaal. Dat strijdt niet met den wil van Christus. Wie het anders ziet, heeft er m.i. een ziekelijke en ongezonde kijk op!”

7 december 1944 –
Borgers neemt de preek nog eens door die hij heeft geschreven voor een huwelijksbevestiging vandaag. Opeens staan mannen van de Sicherheitsdienst aan de deur die hem arresteren en overbrengen naar de Willem III-kazerne in Apeldoorn en vandaar naar Kamp Amersfoort. Hij weet kleine briefjes het Kamp uit gesmokkeld te krijgen, voor zijn vrouw en zoon.

11 december 1944 –
“Ik ben nu, zooals je misschien al gehoord zult hebben, sedert Zaterdagmorgen in Amersfoort. Ik heb als oudere boven de 40 een rustig baantje: aardappelen schillen. Er is drie maal appèl. Dat is het kwaadste, maar met Gods Hulp komen wij er zeker door. Wees moedig en flink. Vertrouw op Hem, die `t Al regeert. Wij voelen ons niet alleen, maar in Zijn Hoede. Ik voel mij rustig en sterk.”

28 december 1944 –
“Iederen dag geef ik alles over in de hand Gods. Ik ben dankbaar dat ik altijd vrijmoedig heb getuigd. Dat geeft mij nu groote rust. En juist nu ervaar ik meer dan ooit de kracht en de heerlijkheid van het geloof. De Kerstdagen zijn voorbij; wel heel anders dan gewoon. Ik was veel bij jullie. Toch tobde ik niet. Ik wensch jullie allemaal een gezegende jaarwisseling. Brenge 1945 ons weer bij elkaar. Maar al gaat het anders dan wij wenschen, Gods wil geschiedde. Met Hem zijn wij altijd veilig. Ik ben nog in dienst van het Evangelie. Soms meer dan in `t gewone leven. Dat klinkt gek, maar het is zoo.” 

10 januari 1945 –
“Gisteren zijn hier 800 lui opgeroepen voor transport naar Duitsland. Ik was er niet bij. Wat zullen ze met ons doen? God weet het. Ik heb alles in Zijn Hand overgegeven.”

21 januari 1945 –
“Je briefje van 7 Januari ontving ik gisteren en dit was het 2de berichtje dat ik kreeg. Je kent nu den weg. Maak je over mij geen zorg… Ik geef alles over in Gods Hand. Dit heb ik nooit te voren zóó sterk gedaan. Daarom ben ik rustig. Ik bid dat ik spoedig bij jullie mag zijn, maar diep in mijn hart blijf ik zeggen: Uw Wil geschiede. Het is een wonderlijke weg, die ik gaan moet. Toch ben ik, als ik terug zie, zoo rustig. Ik heb geen zelfverwijt. Ik ben blij geleefd en getuigd te hebben zooals ik deed.”

Op 2 februari 1945 wordt Borgers afgevoerd in een open, tochtige goederenwagon naar Neuengamme bij Hamburg.

KZ Neuengamme

 

Deze dependance van Sachsenhausen was een groot concentratiekamp, dat weliswaar geen gaskamers bezat, maar waar zo’n 43.000 mensen zouden omkomen ten gevolge van de gruwelijke omstandigheden in het kamp. Drie dagen duurt de erbarmelijke tocht naar de hel van Neuengamme.
De ontberingen in Kamp Amersfoort hebben Borgers al zodanig verzwakt, dat hij niet meer in staat is overeind te komen. Liggend houdt hij nog zijn laatste preek.
Op 10 februari 1945 bezwijkt zijn zieke lichaam en sterft hij, 44 jaar.

Klik op onderstaande afbeeldingen om die op ware grootte te zien.

Ds. Chris Kors, predikant van de PKN-kerk te Doesburg
(zijn bron: “De Lof der Liefde, het leven en sterven van Ds. Paulus Hermanus Borgers”, door W.F. Jense)